O grote Achilles,
Zo snelvoetige strijder
Al even vlug jouw faam:
Tot de sterren en verder,
De beste in Troje.
Sterk.
Maar het tij keerde:
Niet meer de zoon
Van een koningskoppel,
Maar van zee en rotsen.**
Hard en meedogenloos.
Schuldig.
Wees een medemens
Op red(d)eloosheid,
Op de faam
Van het ik, jij en zij.
Met grote consequenties.
Verantwoordelijk.
Zozeer ben ik nu, Achilles,
Dochter van zee en rotsen.*
Hard en meedogenloos?
Schuldig?
Dapper en moedig?
Verantwoordelijk.
—
*Dit gedicht heb ik geschreven naar aanleiding van iets wat ik afgelopen week op school heb meegemaakt. Die gebeurtenis, waarover ik verder niet wil uitwijden, heeft me aangegrepen en ik word heen en weer geslingerd tussen verschillende emoties. Soms voel ik me verantwoordelijk op een goede manier, soms verantwoordelijk met de lading ‘schuldig’.
** Ik verwijs hier naar Homeros’ Odyssee XVI, 35. Achilles heeft, om Agamemnon te wijzen op diens onredelijkheid, besloten om niet meer mee te vechten in de Trojaanse oorlog. Hij komt op voor zichzelf, wijst de legeraanvoerder op zijn tekortkomingen, maar richt ook schade aan: de Grieken verliezen veel mannen doordat hun sterkste vechter staakt. Patroklos meent dat Achilles weer mee moet vechten en formuleert zijn verwijten aan het adres van Achilles als volgt: “de wagenstrijder Peleus was niet jouw vader, en Thetis niet je moeder; de glinsterende zee baarde jou en steile rotsen.” Deze verzen impliceren dat Achilles hard en meedogenloos is, maar men kan er ook in lezen dat hij sterk en onverslaanbaar is. Daarom spreken ze me aan.