Een reis door de klassieken in sneltreinvaart

Een reis door de klassieken in sneltreinvaart.
Gepubliceerd in het jubileumbulletin van de Vereniging Classici Nederland – 2004
Door Jessie Mensink, 1e jaars GLTC – Nijmegen

Lang geleden kwam het voor dat ik in schaterlachen uitbarstte wanneer iemand mij vertelde het prettig te vinden om in de trein te zitten. Nu ik mij zelf eerstejaars studente klassieken mag noemen en dagelijks tussen Deventer en Nijmegen op en neer reis, zie ik dat treinen naast al hun ongemakken ook voordelen bieden.
Even een moment van rust om de gebeurtenissen van die dag her te beleven of zomaar wat voor me uit te staren om soms tot de conclusie te komen dat me zojuist een interessante gedachte te binnen is geschoten. Op deze wijze zijn immers ook de wereldberoemde verhalen over tovenaarsleerling Harry Potter aan het brein van J.K. Rowling, die ook klassieke talen heeft gestudeerd, ontsproten.
Op andere dagen amuseer ik mij kostelijk door de gezichten en personen in de coupé te bekijken of – nog erger – mee te genieten van hun gesprekken.

Vandaag is zo’n dag.
Tegenover mij zit een echtpaar van middelbare leeftijd. De man klaagt al bladerend in een van de gratis nieuwsblaadjes die bedoeld zijn om de treinreis te veraangenamen over “die lui die te lui zijn om te werken en daarom maar in de WAO willen”. Volgens hem moet daar dringend verandering in komen.
Mijn gedachten verplaatsen zich naar redevoering 24 van Lysias, die ik juist ter voorbereiding van een tentamen Grieks aan het lezen ben.
In Athene was het voor mensen die door een blijvend lichamelijk gebrek niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien mogelijk om een uitkering te ontvangen, indien hun vermogen niet meer bedroeg dan drie minae. De invalide voor wie Lysias deze redevoering heeft geschreven staat juist op het punt om zijn uitkering te verliezen, omdat bij de jaarlijkse keuring is gebleken dat hij niet meer aan de criteria voldoet.
Ik bedenk hoe verbazingwekkend actueel een Griekse tekst kan zijn en luister geïnteresseerd verder naar het betoog van de man. Bij nader inzien gelijkt hij tamelijk veel op het beeld van Cicero dat mij voor ogen staat. Ook deze had namelijk een tamelijk rond hoofd met desondanks een hoog en gefronst voorhoofd, golvend kort haar met een scheiding opzij, grote oren, diepliggende en te dicht bij elkaar staande ogen en een geprononceerde haviksneus met daaronder een ontevreden mond en wilskrachtige kin.
In onze tijd zou hij als aristocraat zeker de mening van de man tegenover mij gedeeld hebben. Er is alleen één verschil: Cicero beheerste zijn Latijn heel wat beter dan deze man het Nederlands. Romeinse redenaars spraken hun taal vloeiend, veelal is het in den lande met het politiek kabaal zo rampzalig gesteld dat politici die klagen over de slechte integratie van allochtonen zelf baat zouden hebben bij een taalcursus, hetgeen natuurlijk vermakelijk is.
De vrouw bemerkt dat ik het relaas van haar echtgenoot volg en haalt verontschuldigend en bijna schuldbewust haar schouders op.
Ze zou Terentia kunnen zijn. Of toch niet. Terentia stel ik mij, beïnvloed door het gelijknamige boek van Adelheid van Beuningen, immers voor als een krachtiger persoonlijkheid. Sterke persoonlijkheden zoals vroeger zijn heden ten dage amper te vinden.
Zoeken we iemand om een monument te openbaren, dan vragen we gerust prins Willem-Alexander. Sterker nog, voor de opening van een tentoonstelling over Fatale Vrouwen in de schilderkunst is de sterkste vrouw die men wist te vinden Joan Collins, die dan wel een fatale vrouw gespeeld heeft in de televisieserie Dynasty, maar zelf niet meer lijkt te zijn dan een bejaarde dame die zich blijft vastklampen aan haar ideaalbeeld, de barbiepop.
In de oudheid waren er vrouwen die voldoende fataal waren om tweeduizend jaar later nog een tentoonstelling aan te wijden. Er waren niet alleen dappere mythologische vrouwen, maar vooral in de Romeinse keizertijd werd de inbreng van vrouwen uit de keizerlijke familie een constante factor in het politieke spel.
Vrouwen lieten hun macht gelden via de familiebanden. Zo was bijvoorbeeld Agrippina de Jongere lange tijd aan de macht: achtereenvolgens als zus van keizer Caligula, als echtgenote van keizer Augustus en als moeder van keizer Nero.
Livia had te kampen met het grote probleem dat haar gemaal keizer Augustus bij haar geen kinderen verwekt had. Ze wond Augustus om haar vinger, maar toen ze deze toch niet ertoe kon brengen alle hem dierbare mogelijke troonopvolgers te passeren om zoonlief Tiberius tot keizer te verheffen, liet ze hem geen andere keus door enkele familieleden zoals Agrippa door een plotselinge ziekte te laten overlijden.
Niet alleen was ze doortrapt (gravis in rem publicam mater et gravis in domui caesarum noverca), maar ook nog bloedmooi (pulchritudine praecellebat), zoals Tacitus beschrijft in de Annales.

Ik ontwaak uit mijn mijmering en speur de coupé af naar vrouwen die Livia qua schoonheid zouden kunnen evenaren. Ik kan er geen ontwaren, maar zie wel een gedrongen mannetje met een grote rode drankneus en een lange baard. Die is vast dol op symposia, denk ik en ik wend mij af.
Dan hoor ik hem aan de eveneens in de coupé zittende student vragen wat de liefde eigenlijk is. De student antwoordt aarzelend. “Liefde is het schone zien.” “En hoe omschrijven wij het schone?,” vraagt de man. Een ietwat clownesk mannetje mengt zich in de conversatie. “Liefde is de ware vinden” zegt hij.
“Oorspronkelijk was ieder mens rond, met tweemaal zoveel ledematen als nu. Omdat de mensen echter de goden aanvielen en zich daarbij te sterk toonden, sneed Zeus de mensen in tweeën. Ieder van ons is dus een brokstuk een zoekt steeds zijn wederhelft, de ware.”
Ik schrik op en vraag mij af of ik hier werkelijk getuige was van een gesprek dat evengoed door Sokrates, Plato en Aristophanes gevoerd had kunnen zijn. Uit de mededeling van de conducteur blijkt dat ik mijn bestemming bereikt heb. Ik heb zoveel interessante mensen gezien dat ik het gevoel heb zojuist een zwerftocht zoals die van Odysseus overleefd te hebben. In plaats van de tien jaren, gedurende welke de held over alle wereldzeeën zwierf, ben ik slechts een uur onderweg geweest.
Bij het verlaten van de trein hoor ik nog net een oud vrouwtje tegen haar gezelschap verzuchten: “Och, die goede oude tijd…” Ik neig ertoe haar mening te delen dat vroeger alles beter was, maar ga daarin wat verder terug dan de leeftijd van het vrouwtje.
Hoewel ik weet dat het voor vrouwen lang niet aangenaam was in die tijd, dat het feminisme nog niet eens bestond, dat ik een stola, palla en chiton zou moeten dragen terwijl ik niet van rokken en jurken houd, dat ik niet vaak buiten de deur zou komen en zeker niet in de trein zou zitten waar ik bij het horen van gesprekken van medepassagiers kon wegdromen over die goede oude prehistorie, zou ik soms willen dat ik een Romeinse vrouw was in de keizertijd. Want ik bén gewoon klassiek!
Omdat ik echter ook iets van de stoïcijnen geleerd heb, voeg ik me naar mijn lot en leef gelukkig mijn leven in onze moderne tijd. Door te dromen, klassieken te studeren, door klassieke historische en mythologische figuren zoals mijn portret van Livia te tekenen en mijn enthousiasme zo goed mogelijk over te dragen op de medemens, tracht ik mijn lot echter enigszins te omzeilen.
Of is dat hybris?

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>