1. INLEIDING
“Of all Roman poets Vergil and Horace have been the most admired, the most beloved and the most imitated. They are the classical poets of Rome par exellence for their perfection of form and the significance of their content. Their appeal is universal.”
Naast grote dichters waren Horatius en Vergilius beide actief ten tijde van de nieuwe tijd van Augustus, het principaat, de pax augusta. Ze worden gezien als woordvoerders van de idealen van het Rome van Augustus en hoorden beiden tot de kring van Maecenas. Dat er een band bestond tussen Vergilius en Horatius en Maecenas wordt duidelijk uit het feit dat Vergilius zijn Georgica aan Maecenas heeft opgedragen en uit de vele verwijzingen naar Maecenas in de gedichten van Horatius.1 Horatius noemt Maecenas o et praesidium et dulce decus meum en in ode 2.17.5 zelfs animae partem meae, hetgeen vergelijkbaar is met dan zijn woorden voor Vergilius maar iets minder sterk: animae dimidium meae.
Horatius noemt in zijn werk meerdere malen andere dichters bij naam, onder wie Varius Rufus, Iullus Antonius, Asinius Pollio, Tibullus en natuurlijk Vergilius. Moritz (1969) merkte op dat Horatius over de eerste vier dichters anders spreekt dan over Vergilius. Wanneer Horatius over de eerste vier dichters spreekt, heeft hij het over hun dichterschap of hun werk. Vergilius noemt hij echter nooit als dichter, hij noemt hem als vriend.
De vriendschap tussen Horatius en Vergilius, zo zegt Duckworth, is in menig opzicht verbazend, omdat ze zeer weinig gemeen hebben. Vergilius komt uit Noord-Italië, heeft rijke ouders, is religieus en serieus, leeft een teruggetrokken en studieus leven en is introvert, terwijl Horatius uit Zuid-Italië komt, zoon van vrijgelatenen is en een extraverte persoonlijkheid. Vergilius is een Caesariaan, Horatius een republikein. Vergilius baseert zich op Alexandrijnse poëzie, Horatius op Griekse dichters.
Rond 40 of 39 moeten deze twee verschillende dichters toch vrienden geworden zijn en tien jaar later – na de slag bij Actium – vinden we een verbazingwekkende situatie: Vergilius baseert zijn werk (de Georgica) nu op Hesiodus in plaats van op Alexandrijse poëzie en de republikein Horatius spreekt plotseling positief over het nieuwe regime van Octavianus. De reden van deze ommekeer is tot nog toe onbekend. Het lijkt er echter op dat de dichters elkaar in dezen wederzijds beïnvloed hebben.
Rond het jaar 20, wanneer beide dichters bezig zijn met hun meesterwerk, zijn de parallellen in het werk van de dichters het meest talrijk, zo talrijk dat Duckworth meent dat we wel moeten stellen dat de dichters elkaar wederzijds raadpleegden en beïnvloedden. Waarom noemt Horatius Vergilius dan toch niet als dichter? Moritz suggereert dat Horatius Vergilius in zijn werk niet als dichter wil noemen om de indruk van kliekvorming onder dichters te vermijden. Mijns inziens kan het echter ook zo zijn dat Horatius Vergilius niet als dichter noemt, omdat hij hem niet (uitsluitend) als dichter zag, maar vooral als vriend.
Over hun relatie weten we echter zeer weinig, omdat Vergilius niet spreekt over Horatius (Moritz merkt daarbij op dat het werk van Vergilius – in ieder geval de Georgica en de Aeneis – weinig ruimte lieten om naar andere dichters te verwijzen ) en Horatius zelden over Vergilius. In dit werkstuk wil ik mij, na in hoofdstuk 2 een opsomming te hebben gegeven van enkele belangrijke parallellen in het werk van Horatius en Vergilius, dan ook richten op de plaatsen in het oeuvre van Horatius waar Vergilius genoemd wordt.
2. WEDERZIJDSE INVLOED
2.1 Van pessimistisch naar positief
Naast de in de inleiding genoemde politieke en literaire omslag van de dichters is andere wederzijdse invloed misschien te bemerken in de omslag van pessimisme naar een zeer positieve houding. Waar Horatius in epoden 6 en 16 nog zeer droevig gestemd was, is zijn enthousiasme na de slag bij Actium, te zien in epode 9 en ode 1.37 ongeëvenaard. Omstreeks dezelfde tijd moet Vergilius zijn beroemde 4e ecloga geschreven hebben, waarin hij zegt dat hij een nieuwe gouden tijd in Italië verwacht. De discussie over bij wie deze omslag het eerst heeft plaatsgevonden lijkt eindeloos. In het korte bestek van dit werkstuk waag ik mij er dan ook niet aan hier op in te gaan. Wel wil ik ingaan op een verpletterende overeenkomst tussen epode 16 en de 4e ecloga, die Duckworth heeft vastgesteld. Horatius begint als volgt: altera iam teritur bellis civilibus aetas. Vergilius begint als volgt: ultima cumaei venit iam carminis aetas. Vergilius herhaalt iam nog driemaal in de volgende regels, hetgeen ons doet vermoeden dat zijn 4e ecloga een antwoord is op de 16e epode.
2.2 Het carmen perpetuum
Een andere duidelijke overeenkomst tussen Horatius en Vergilius komt naar voren in ode 1.7. Met de woorden perpetuo carmine neemt Horatius net als Cicero positie in tegen de gelegenheidsdichters van zijn tijd. Deze ambitie kan volgens Baca worden toegeschreven aan Vergilius, die op het moment van het schrijven van deze ode bezig was met de Aeneis, een werk van het ‘carmen perpetuum-type’. Het begin van dit gedicht is zeer Vergiliaans en het onderscheid laudabunt alii… me nec is hetzelfde onderscheid als gemaakt door Vergilius met de woorden excudent alii…tu regere imperio populos, Romane, memento. Het meest Vergiliaans in dit gedicht zijn echter de verzen die handelen over Teucer, die zeer overeenkomen met Aeneis I.195-207. Baca stelt dat het mogelijk is dat Horatius niet op de hoogte was van de parallellen bij Vergilius. Hij kan, zo zegt Baca, ook direct van bijvoorbeeld Homeros of Naevius geleend hebben. Waarschijnlijker lijkt het echter dat Horatius direct reageerde op het werk van zijn trouwe kompaan.
2.3 Cato als belangrijk persoon
In ode 1.12 zien we – omgekeerd – de invloed van Horatius op Vergilius. Het gedicht lijkt in veel aspecten op het einde van Aeneis VI. Horatius begint in Pindarische stijl met de vraag wie hij zal prijzen. Eerst prijst hij enkele goden (Juppiter, Minerva, Bacchus, Diana en Apollo) en halfgoden (Hercules, Castor en Pollux). Vervolgens geeft hij een lijst Romeinen, te beginnen met Romulus. Veel van deze Romeinen (onder wie Numa, Tarquinius, Regulus, Fabricius en Camillus) worden ook in Aeneis VI beschreven. Waar Vergilius Cato niet noemt in de lijst belangrijke personen, doet Horatius dat wel. Zeer opmerkelijk is dan het plotselinge verschijnen van Cato in Aeneis VIII. Zou dit de invloed van Horatius kunnen zijn?
2.4 Het slotgevecht tussen Aeneas en Turnus
Geen lezer van Vergilius Aeneis 12 zou betwijfelen dat Vergilius in zekere mate schatplichtig is aan Homeros. Er is echter nog een werk waarmee Aeneis 12 in directe relatie staat: Ode 3.2 van Horatius. Zowel Aeneis 12 als Ode 2.3 is in een militaire setting geplaatst. Aeneis 12 handelt over het beroemde gevecht tussen Aeneas en Turnus, in Ode 2.3 staan er twee naamloze strijders tegenover elkaar: een Romeinse soldaat en een allochtone hostis. Het gevecht vindt plaats voor de muren van de vreemde stad (ex moenibus hosticis) en wordt gezien door de koningin. Klinkt als: Aeneas en Turnus vechten, terwijl Amata en Lavinia toekijken. Intern zijn er veel parallellen te vinden. Ode 3.2 begint met het aansporen van de jeugd om opgewassen te zijn tegen harde gevechten. Aeneis 12 begint met Aeneas die Ascanius aanspoort om van hem te leren. Verder personifieert Horatius virtus en plaats hij dit woord tweemaal aan het begin van een strofe, zoals ook Vergilius doet. Zowel Aeneas als de Romeinse soldaat bij Horatius is gedreven door woede. Een zeer belangrijke overeenkomst op woordniveau is het gebruik van het woord poples voor knieën. Zowel Vergilius als Horatius gebruikt dit woord zeer zelden, maar juist op deze plaats bezigen de dichters het allebei. Tenslotte komt in beide gedichten het beeld van de leeuw zeer sterk naar voren. Basto meent dat deze parallellen op toeval gebaseerd kunnen zijn, maar gezien wat we al weten over de band tussen de twee dichters, suggereert hij liever dat er sprake is van wederzijdse invloed.
2.5 Enkele kleinere overeenkomsten
Andere kleinere overeenkomsten tussen het werk van Horatius en Vergilius zijn de burgeroorlog die Horatius in epode 7 en Vergilius in Georgica 1 beschrijft, hun lof op het plattelandsleven in respectievelijk epode 2 en Georgica 2 en tenslotte hun manier van spreken over de goddelijkheid van Octavianus die een incarnatie zou zijn van Mercurius. Ook de ordening van Horatius’ Romeinse oden is in grote lijn hetzelfde als die van Vergilius’ boek VI. In de derde ode houdt Juno bovendien een toespraak over de toekomstige grootheid van Rome. Duckworth ziet hierin grote gelijkenis met de rede van Juno tegen Juppiter in Aeneis XII. De overeenkomsten tussen de Aeneis en boek 4 van de Oden van Horatius zijn zeer groot.
3. VERGILIUS IN HET WERK VAN HORATIUS
In het werk van Horatius vinden we tien verwijzingen naar Vergilius, waarvan negen zekere en één onzekere. De zekere verwijzingen zijn: Sermo 1.5.40, Sermo 1.5.48, Sermo 1.6.55, Sermo 1.10.45, Sermo 1.10.81, Ode 1.3.6, Ode 1.24.10, Epistula 2.1.247 en Epistula 2.3.55. De ene onzekere verwijzing vinden we in Ode 4.12.
Om aan te sluiten bij het specialisatiecollege Latijn, zal ik in dit werkstuk enkel ingaan op de drie Oden. Per ode zal ik eerst een bespreking per strofe geven om daarna aan de hand van enkele commentaren en artikelen in te gaan op de belangrijkste problemen die de ode heeft opgeleverd.
3.1 Ode 1.3
3.1.1 Bespreking per strofe
Sic te diua potens Cypri, Zo moge jou de machtige godin Venus
sic fratres Helenae, lucida sidera, zo mogen jou de broers van Helena, stralende sterren
uentorumque regat pater zo moge jou de vader van de winden begeleiden,
obstrictis aliis praeter Iapyga, nadat alle andere winden zijn neergeslagen behalve de westenwind,
nauis, quae tibi creditum 5 schip, dat de aan jou toevertrouwde Vergilius
debes Vergilium; finibus Atticis moet teruggeven; ik bid dat je hem ongedeerd teruggeeft
reddas incolumem precor aan het Attische gebied
et serues animae dimidium meae. En dat jij past op de wederhelft van mijn geest.
De derde plaats na de openingsoden aan Maecenas en Augustus geeft Horatius aan Vergilius.
Het eerste deel van dit gedicht, dat geschreven is in de vierde asclepiadeïsche strofe, is gericht tot het schip, waarmee Vergilius kennelijk wil gaan varen. Dit deel vormt een formeel gebed om de veilige terugkeer van Vergilius. Dit zien we onder andere aan het gebruik van sic, dat in het Latijn vaak werd gebruikt in religieuze vragen of smeekbeden. Normaal maakte sic echter deel uit van een quid pro quo gebed. Dat is hier niet het geval. Zoals normaal in een propempticon worden er verschillende goden aangeroepen in het begin van het gedicht. Het gebed is echter niet louter formeel: het animae dimidium meae geeft het gedicht een diepe persoonlijke betekenis. We weten dat Horatius en Vergilius bevriend waren en kunnen ons dus voorstellen dat Horatius werkelijk in bezit genomen werd door verdriet en angst toen zijn vriend op het punt stond naar de finibus Atticis te reizen. Niet alleen omdat hij bezorgd was om zijn vriend, maar ook omdat hij van hem gescheiden zou worden.
Ondanks de droefheid is er in dit eerste deel van het gedicht al sprake van enige humor. Horatius geeft aan dit gedeelte van het gedicht een komische draai door bijvoorbeeld typische handelstaal te gebruiken met de woorden creditum en debes. Ook geestig is het dat Vergilius nu op reis wordt toevertrouwd aan de Gemini en aan Venus, de moeder van ‘zijn’ Aeneas.
Het is ons niet bekend of Vergilius werkelijk een reis naar Griekenland heeft gemaakt. Horatius zwijgt geheel over de reden ervan. Volgens Traill suggereert dit dat het publiek van Horatius heel goed op de hoogte was van de redenen van de reis.
Illi robur et aes triplex Aan hem was hout en drievoudig brons
circa pectus erat, qui fragilem truci 10 rondom zijn borst, die als eerste een breekbaar vlot
commisit pelago ratem toevertrouwde aan de grimmige zee,
primus, nec timuit praecipitem Africum en hij vreesde de zuidwesterstorm niet
decertantem Aquilonibus die streed met de noordenwinden
nec tristis Hyadas nec rabiem Noti, en hij vreesde niet de droeve Hyaden en de razende Notus,
quo non arbiter Hadriae 15 dan wie er geen grotere heerser van de Hadria is,
maior, tollere seu ponere uolt freta. Of hij nu de zee wil neerleggen of opschudden.
Quem mortis timuit gradum Welke tred van de dood vreesde hij,
qui siccis oculis monstra natantia, die met droge ogen zeemonsters,
qui uidit mare turbidum et de woeste zee en de
infamis scopulos Acroceraunia? 20 rotsen in het afschuwelijke Acroceraunia
De volgende sectie van 1.3, de verzen 9 tot en met 20 gaan over varen en de eerste zeeman. Traditioneel gezien was de eerste zeeman Jason, die met zijn Argo op reis ging. Deze zeeman heeft zichzelf degelijk beschermd met hout en brons en is nergens bang voor, noch voor wind, noch voor zeemonsters, de zee en de rotsen, noch voor de dood. Een metalen hart was in de oudheid een teken van moed. Volgens Elder gaat deze strofe dan ook niet over het varen zelf of over de impietas van de mensen, maar over de moed die zij daarin tonen. De afkeer van het zeilen, zo zegt Elder, was slechts een topos, een mening die iedere Italische dichter gedeeld zal hebben. Als dan deze regels hoofdzakelijk over moed gaan, dan kan het zijn dat Horatius hier eigenlijk helemaal niet ageert tegen het varen, maar de moed van Vergilius wil benadrukken.
Wel is er een ethische doctrine gerelateerd aan de zee. Wie voer er immers voornamelijk op zee? De mercator. De mercator stond symbool voor luxe en hebzucht.
Nequicquam deus abscidit Tevergeefs scheidde de verstandige godheid de aarde
prudens Oceano dissociabili af van de ongezellige zee,
terras, si tamen impiae als toch onvrome schepen de niet
non tangenda rates transiliunt uada. Begaanbare wateren overzeilen.
Audax omnia perpeti 25 Overmoedig om alles te bereiken
gens humana ruit per uetitum nefas; dendert het menselijk volk door een verboden vergrijp;
audax Iapeti genus het vermetele geslacht van Iapes
ignem fraude mala gentibus intulit; bracht door slecht bedrog het vuur naar de mensen
post ignem aetheria domo nadat het vuur uit het hemelhuis geroofd was
subductum macies et noua febrium 30 jaagde honger en een nieuw cohort
terris incubuit cohors koortsen over de aarde;
semotique prius tarda necessitas de voorheen trage noodzaak van de verre dood
leti corripuit gradum. Versnelde haar tred
In het gedeelte 21 tot 33 komt de impietas, maar vooral de audacitas van de mens nader aan bod. Hoewel land en zee door de goden van elkaar gescheiden zijn en het terrein van de mens zodoende beperkt was tot het land, begaan mensen toch met schepen de zee. Deze (over)moed wordt vergeleken met Prometheus die het vuur van de goden stal. Om de suggestie vast te houden dat de vorige sectie ging over moed, moeten we op een andere manier naar Prometheus kijken. Prometheus is zo niet meer enkel de slechte Prometheus van Hesiodos, maar ook die van Aeschylos: de weldoener.
Expertus uacuum Daedalus aera Daedalus heeft de lucht geprobeerd
pennis non homini datis; 35 met vleugels die niet aan de mens waren gegeven;
perrupit Acheronta Herculeus labor. Het werk van Hercules heeft de onderwereld doorbroken,
Nil mortalibus ardui est; niets is te stijl voor stervelingen
caelum ipsum petimus stultitia neque zelfs de hemel proberen wij te bereiken door dwaasheid
per nostrum patimur scelus en niet verdragen wij door onze misdaad
iracunda Iouem ponere fulmina. 40 dat Jupiter boze bliksemschichten afschiet.
In deze laatste sectie neemt de trots van Horatius toe. We stappen over op Daedalus, de slimste der mensen en Hercules, de sterkste der mensen. Niets is voor mensen onbereikbaar. Wat deze sectie ons ook vertelt is dat Daedalus en Hercules niet door hun slimheid en kracht, maar wel door hun durf grootse daden verrichtten. Vergilius was al wijs en een groot dichter, maar nu waagde hij zich ook nog op zee, hetgeen we in dit licht kunnen zien als een extra eerbetoon aan de dichter.
Een andere interpretatie van deze alinea is echter (Traill 1982) dat we dit gedicht moeten lezen als politiek gedicht. Scelus is een woord dat vaak gebruikt wordt voor burgeroorlogen. Alle overmoed in dit gedicht zou dan de overmoed van Antonius symboliseren en Jupiter die bliksemschichten werpt, zou symbool staan voor de reactie van Augustus op Antonius.
3.1.2 Ode 1.3 als propempticon
Ode 1.3 is in ieder geval gedeeltelijk een propemticon. Over de geschiedenis van het propempticon weten we weinig. Uit de oude griekse lyriek kennen we enkele reisgedichten of fragmenten daarvan van bijvoorbeeld Sappho. Pas in de Hellenistische periode neemt het propempticon echter bij Theocritus, Callimachus en Erinna zijn definitieve vorm aan. Vreemd is het dat Horatius in dit gedicht niets zegt over het weerzien met Vergilius.
Nog vreemder is het dat het gedicht, dat bestaat uit 40 Asclepiadeïsche distischa, zo gemakkelijk uiteenvalt in een inleiding en een kern, dat men geneigd is er twee aparte gedichten in te zien. Nadat Horatius gesteld heeft dat hij hoopt dat Vergilius behouden aankomt in Attica, begint hij een diatribe tegen de overmoed van zeereizen. Ode 1.3 lijkt daardoor niet helemaal geslaagd als propempticon voor Vergilius.
Carruba (1984) wil in het gedicht toch een eenheid zien. Als argumenten hiervoor haalt hij aan dat in het gehele gedicht godheden voorkomen die wel omschreven, doch niet bij naam genoemd zijn (diva potens Cypri, fratres Helenae, ventorum pater en deus) en verder dat er in het hele gedicht verwijzingen te vinden zijn naar de elementen aarde (het land), water (de zee), vuur (Prometheus) en lucht (de sterren en de bliksemschichten van Jupiter).
Elder meent dat het varen op zee hier symbool staat voor de menselijke zondigheid en dat het Horatius bovendien niet alleen om varen te doen is, maar om het tragische van de gehele mensheid. Naast het algemene karakter van het gedicht, signaleert Elder echter ook een persoonlijke betekenis van het gedicht. De diatribe is volgens hem helemaal niet vreemd en past perfect in het gedicht: we moeten de oratie tegen de zeereis lezen als boosheid van Horatius omdat Vergilius op reis gaat. Dit beeld contrasteert echter met de normaal zo matige en tactvolle Horatius en met de stoïsche elementen uit zijn levensfilosofie. Elder stelt echter dat Horatius van tijd tot tijd ook heel uitbundig kon zijn en dat deze passage daarvan getuigt. Syndikus (1990) sluit zich bij Elder aan.
Een andere verklaring voor de vreemde diatribe is te vinden in een allusie op Vergilius en wel de Georgica. Een bewijs hiervoor is dat Horatius hier oreert tegen een zeereis, iets dat hem normaalgesproken vreemd is, maar dat typisch is voor bijvoorbeeld Hesiodus en de Georgica. Van het afwijzen van zeereizen, gaat Horatius echter naar een lofzang op menselijke moed. Hiermee wijkt hij af van Hesiodus (die de aanvang van het ijzeren tijdperk wijt aan het falen van de mens), maar verwijst hij naar Vergilius, die het ijzeren tijdperk laat beginnen als stimulans voor de mens (I, 121-124). Dit idee kan versterkt worden doordat hij even later impiae en audax naast elkaar plaatst.
In de tweede helft van de diatribe speelt Prometheus de rol die Hesiodus hem ook al had toebedeeld. Er is sprake van een zelfde juxtapositie als in de eerste helft van de diatribe. Hier staan ziekte en vooruitgang naast elkaar, hetgeen erop kan wijzen dat Horatius Prometheus niet ziet als brenger van onheil, maar als brenger van inventiviteit en civilisatie. Vervolgens komen Daedalus en Hercules aan bod, die symbool staan voor de menselijke inventiviteit en moed. De afdaling van Hercules naar de onderwereld verwijst verder naar Orpheus afdaling in Georgica IV. De stelling van Vergilius dat al te groot streven tot de ondergang kan leiden, formuleert Horatius nog aan het eind van 1.3.
We kunnen dus stellen dat de diatribe niet zomaar als diatribe gezien moet worden, maar als functionele wijze om Vergilius een compliment te maken en naar zijn intelligente gedachtegoed te verwijzen. Aansluitend daarop menen enkele critici, zoals Lockyer, ook wel dat dit propempticon niet geschreven is om Vergilius letterlijk een behouden vaart te wensen, maar om hem succes te wensen bij de compositie van zijn meesterwerk, de Aeneis.
3.2 Ode 1.24
In ode 1.24 zien veel commentatoren een duidelijke parallel met 1.3. Ook in deze ode spreekt Horatius namelijk tegen zijn vriend Vergilius in diens eigen bewoordingen. De meest opvallende parallel is het gebruik van het woord creditum, dat in het werk van Horatius alleen in deze twee oden voorkomt. Ook thematisch beschouwd hebben de gedichten veel overeenkomsten. In beide gedichten vloeit een specifiek onderwerp, respectievelijk de zeereis van Vergilius en de dood van Quintilius, over in een algemene beschouwing, respectievelijk over de dapperheid van mensen en zelfbeheersing. In beide gedichten komt op deze manier ook de ambigue vroomheid van Vergilius aan bod. Ambigu, omdat dezelfde vroomheid ook in beide gedichten geassocieerd wordt met daden van hybris. In 1.3 wil hij de zee bedwingen, in 1.24 een dode tot leven wekken. In beide gedichten komt het woord nefas terug.
3.2.1 Bespreking per strofe
Quis desiderio sit pudor aut modus Welke schaamte of maat is er voor het verlies van
tam cari capitis? Praecipe lububris een zo dierbaar persoon. Ga voor in weemoedige zangen,
cantus, Melpomene, cui liquidam pater Melpomene, aan wie haar vader een zoete stem
uocem cum cithara dedit. En een lier gaf.
Deze ode is geschreven in de tweede asclepiadeïsche strofe. In de eerste strofe wordt gesteld dat er geen maat is voor het verdriet om een geliefd iemand. Horatius is, zoals Nisbet (1970) zegt defending the right to weep without restraint. Melpomene, de muze van de tragedie met haar masker, dolk en sandalen, wordt aangeroepen om voor te gaan in de klaagzangen. Om wie er precies gerouwd wordt laat de dichter voor het moment in het ongewisse. De klank van het gedicht is ernstig door de afwisseling van donkere vocalen met schrille i’s.
Putnam (1992) laat zien dat dit gedicht van Horatius teruggaat op gedicht 96 van Catullus. Waar Catullus in zijn derde strofe spreekt van quo desiderio, begint Horatius zijn gedicht met quis desiderio. De Quintilia van Catullus is gemakkelijk te vervangen door Quintilius. Waar Catullus echter de emoties van zijn vriend Calvus vergroot, lijkt Horatius de emoties van Vergilius juist te willen demarceren. Syndikus wijst erop dat de overeenkomsten met een elegie van Archilochos ook groot zijn.
Horatius treedt in dit gedicht op als pedagoog, hetgeen hij meteen duidelijk maakt met zijn eerste opdacht aan Melpomene: “praecipe.”. Hij positioneert zichzelf hiermee in de rol van Quintilius Varus, die in zijn werk veelal belerend en docerend schijnt te hebben opgetreden. Hierdoor wekt Horatius Varus als het ware tot leven, iets waarin Vergilius nog niet geslaagd is. In deze briljante actie van Horatius zouden we ook enige vorm van humor kunnen zien.
Ergo Quintilium perpetuus sopor 5 Dus eeuwige slaap drukt op Quintilius?
urget? Cui Pudor et Iustitiae soror, Zullen Schaamte en de zus van Iustitia,
incorrupta Fides, nudaque Veritas de eerlijke Trouw en de naakte Waarheid
quando ullum inueniet parem? Ooit iemand vinden die gelijk is aan hem?
In de tweede strofe verlost Horatius ons onmiddellijk van onze onwetendheid. Ergo Quintilium laat ons weten dat het Quintilius is, om wie er gerouwd wordt. Waar Horatius Ode 1.18 nog wijdde aan de levende Quintilius, wijdt hij deze ode aan de inmiddels gestorven Quintilius. Ergo drukt hier de realisatie van dit droevige feit uit. De rest van de strofe wordt besteed aan het prijzen van deze Quintilius. Of de gestorven Quintilius, zoals sommigen commentatoren beweren, ook een dichter was is niet met zekerheid te zeggen. Dat is echter niet relevant: het gaat erom dat een wederzijdse vriend is overleden en niet gewoon een wederzijdse vriend, maar een heel speciale vriend: er kan niemand gevonden worden zo goed als hij.
Multis ille bonis flebilis occidit, Hij stierf, beweenbaar voor velen,
nulli flebilior quam tibi, Vergili. 10 maar voor niemand beweenbaarder dan voor jou, Vergilius.
Tu frustra pius, heu, non ita creditum Jij eist, ach, tevergeefs vroom, Quintilius van de goden die
poscis Quintilium deos. Niet op die manier is toevertrouwd.
Quintilius was bij iedereen geliefd, maar Vergilius hield het meest van hem, zo wordt duidelijk uit strofe drie. Vergilius, frustra pius, blijft maar bidden en smeken dat Quintilius terugkomt. De dood kan echter niet, zo zegt Horatius ook op andere plaatsen in zijn oeuvre, door smeken ongedaan gemaakt worden en Vergilius is dus tevergeefs vroom: hij kan er niets aan doen.
Quid si Threicio blandius Orpheo Wat als jij vleiender dan de Thracische Orpheus
auditam moderere arboribus fidem? Je lier bespeelt, gehoord door de bomen?
Num uanae redeat sanguis imagini, 15 Toch niet keert het bloed terug naar zijn lege verschijning,
quam uirga semel horrida, welke Mercurius eenmaal met afschrikwekkende zweep
De machteloosheid van Vergilius wordt eens te meer duidelijk uit de volgende strofe. Zelfs als Vergilius mooier zo musiceren dan Orpheus, zou hij Quintilius niet tot leven kunnen wekken. De verwijzing naar Orpheus is zeer persoonlijk, daar Vergilius in zijn Georgica IV juist het verhaal verteld had. Verder zorgt deze verwijzing naar Orpheus ook voor een extra melancholieke noot in het gedicht, doordat men zich hierdoor het prachtige verhaal van Orpheus en Euridice herinnert. Orpheus was de zoon van de koning van Thracië en had van zijn moeder Calliope zijn muzikale gaven geërfd. Van Apollo kreeg hij een lier en vanaf dat moment kon niemand – zowel mens als dier – aan deze verleiding weerstand bieden. Hij trouwde met de mooie nimf Euridice, maar hun geluk was van korte duur. Zij werd door een adder gebeten en stierf. Daarop daalde Orpheus af naar de onderwereld en overtuigde met zijn lier Hades en diens vrouw Persephone ervan Euridice weer te doen leven. Er was een voorwaarde: Orpheus mocht niet omkijken naar Euridice voordat ze het zonlicht bereikt hadden. Toen het einde in zicht was, kon Orpheus zich niet meer beheersen en hij keek om. Op dat moment zag hij hoe zijn geliefde weer naar de onderwereld verdween. Zelfs Orpheus was het dus niet gelukt om zijn geliefde uit de klauwen van de dood te redden.
non lenis precibus fata recludere, naar de donkere kudde heeft gedreven
nigro compulerit Mercurius gregi? Om niet met lichte gebeden het lot te ontsluiten
durum: sed leuius fit patientia Het is hard: maar geduld maakt al wat niet
quicquid corrigere est nefas. 20 ongedaan te maken is lichter.
Ondanks de machteloosheid van Vergilius probeert Horatius hem te troosten. In de Vita van Donatus kunnen we lezen dat het favoriete gezegde van Vergilius geweest moet zijn dat patientia alles lichter maakt. Het woord patientia vormt dus niet alleen een woord van troost, maar ook een tweede zeer persoonlijke noot in het gedicht. Het gedicht is hiermee niet alleen een epicedium, een klaagzang voor Quintilius, maar ook een oproep tot zelfbeheersing en een consolatio voor Vergilius.
3.2.2 De aanwezigheid van Vergilius in 1.24
De aanwezigheid van Vergilius in ode 1.24 is complex. Putnam (1992) analyseert het gedicht aan de hand van woordherhaling. De eerste herhaling die hij constateert is die van Pudor in de verzen één en zes. De tweede herhaling die hij ziet is modus(1) en moderere(14). De derde herhaling is fides(7) en fidem(14). De laatste herhaling die Putnam opmerkt is de etymologische connectie tussen Vergili(10) en virga(16). Al deze herhalingen symboliseren volgens Putnam dat de link die Vergilius mogelijk legt tussen zichzelf en Orpheus ietwat overmoedig is. De eenheid tussen Vergili en virga zou zelfs duidelijk maken dat Vergilius ernaar streeft niet alleen de rol van Mercurius als psuchopompus op zich te nemen om zielen naar de onderwereld te brengen, maar ze zelfs weer terug zou willen brengen. Door dit woordspel wordt Vergilius dus meer dan enkel de aangesproken persoon van de ode.
Als we door dit woordspel nog niet overtuigd zouden zijn van de grote aanwezigheid van Vergilius, zouden we dat zeker wel raken door de vele allusies op het werk van Vergilius die we in deze ode aantreffen. Zo weerspiegelen de woorden compulerit gregi de woorden van Vergilius compulerant greges en gregem compellere die in de Eclogae voorkomen. Zoals gezegd verwijst ook het verhaal van Orpheus duidelijk naar Vergilius. Niet alleen verwijst het verhaal naar het reeds genoemde Orpheus-verhaal in Georgica IV, maar ook naar Aeneis VI, waar Aeneas juist in Cumae geland is, vast van plan om zijn vader in de onderwereld te bezoeken. Als Horatius zijn vriend werkelijk aan de Aeneis wil herinneren, wil hij hem op veel meer wijzen dan enkel op het ophouden met overmatig rouwen. Aeneas vergelijkt zichzelf door het boek heen met Orpheus en ziet zichzelf als uitermate vroom. Ondanks deze vroomheid kon hij Euridice niet redden. Hoe mooi Vergilius de werelden van Orpheus en Aeneas ook heeft beschreven, hij bezit hun heroïsche krachten niet en moet dus niet langer proberen Quintilius terug te brengen.
3.3 Ode 4.12
In de bovenstaande twee gedichten 1.3 en 1.24 zien we duidelijk hoe Horatius over Vergilius spreekt. Hij zou het afschuwelijk vinden als de animae dimidium meae niet meer veilig thuiskomt na zijn zeereis en bidt om een behouden vaart. Tijdens zijn gebed presteert hij het om indirect ook nog de moed van de dichter te prijzen. In het tweede gedicht troost Horatius Vergilius in diens eigen woorden, nadat een dierbare wederzijdse vriend is overleden. Naast deze positieve benadering, is er echter ook ode 4.12. In het dorstige lenteseizoen wordt ene Vergilius door Horatius uitgenodigd om een wijntje te komen drinken in ruil voor parfum. Waar Horatius in de rest van zijn werk spreekt over de dichter Vergilius in bewoordingen als animae dimidium meae (Ode 1.3.6), animae quales neque candidiores / terra tulit neque queis me sit devinctior alter (Satire 1.5.41) en optimus Vergilius (Satire 1.6.55), spreekt Horatius in deze ode over Vergilius als de iuuenum nobilium cliens, waarmee hij doelt op de zinloosheid en betekenisloosheid van geld verdienen, hetgeen hij zelf ook duidelijk maakt door in vers 25 de studium lucri te noemen. Vele commentatoren zijn gevallen over de weinig respectvolle wijze waarop Horatius hier over Vergilius spreekt. Sommigen beweren zelfs dat de genoemde Vergilius niet de dichter kan zijn.
3.3.1 Bespreking per strofe
Iam ueris comites, quae mare temperant, Kijk, Vrienden van de lente, die de zee bedwingen,
impellunt animae lintea Thraciae, Thracische winden blazen reeds tegen de zeilen
iam nec prata rigent, nec fluuii strepunt de weilanden zijn al niet meer bevroren, en de rivieren
hiberna niue turgidi. Staan niet meer stil gezwollen door wintersneeuw.
Dit gedicht is een typisch uitnodigingsgedicht. In de eerste strofe van 4.12 beschrijft Horatius hoe het weer lente is geworden: Thracische winden blazen weer, sneeuw en ijs zijn geweken. Een poëtische droomwereld wordt in deze strofe opgebouwd. Dit is de aankondiging van een lichtvoetig gedicht. Dit lichtvoetige komt ook tot uiting in het metrum: de zinnen voegen zich zeer gemakkelijk in de strofen. Verder zijn er reeds in deze eerste strofe veel liquida zoals de l, m en n te bemerken, die de vloeiende en gemakkelijke aard van het gedicht benadrukken. Deze eerste strofe vertoont veel gelijkenis met de wijze waarop in Hellenistische literatuur de lente werd verbeeld.
Nidum ponit, Ityn flebiliter gemens, 5 De ongelukkige vogel, eeuwige schande van het huis
infelix auis et Cecropiae domus van Cecrops, bouwt, hevig Itys bewenend, een nest.
aeternum obprobrium, quod male barbaras omdat ze slecht heeft gewroken
regum est ulta libidines. De barbaarse lusten van koningen.
De volgende strofe lijkt verder te gaan met het beschrijven van de lente. Er wordt immers gedicht dat de vogel een nest bouwt. Achter deze vogel schuilt echter het verhaal van Itys. Itys was de zoon van Procne en Tereus. Eens ging Tereus naar Athene om zijn schoonvader te bezoeken. Procne verzocht hem bij zijn terugkomst haar zus Philomela mee te nemen. Dit geschiedde, maar onderweg onteerde Tereus Philomela en sneed haar de tong uit, opdat zij zijn misdaad niet zou kunnen verraden. De ongelukkige Philomela vond echter gelegenheid haar lot uit te beelden in borduursels en bracht Procne zo op de hoogte van het voorgevallene. Beide zusters spraken af een gruwelijke wraak te nemen. Ze doodden samen de kleine Itys en zetten hem gebraden aan zijn vader voor als maaltijd. Toen Tereus aan de overblijfselen van het maal bemerkte, wat hij gegeten had, greep hij een bijl om zijn vrouw en haar zuster in stukken te houwen. Procne en Philomela konden slechts door een snelle vlucht aan zijn wraak ontkomen. Reeds was hij op het punt hen in te halen, toen de zusters de goden om medelijden smeekten. Alle drie werden in vogels veranderd. Procne werd een nachtegaal, die voortdurend weeklachten om haar vermoorde zoon slaakte, en “Itys, Itys!” riep. Philomela veranderde in een zwaluw. Tereus werd een hoppe en Itys een fazant. Dit verhaal doet ons aan Vergilius denken: de stof is immers typisch Vergiliaans, terwijl Horatius verder nergens in zijn werk over Itys of de nachtegaal spreekt. Met het verhaal van Itys, belanden we in een meer sentimentele sfeer.
Dicunt in tenero gramine pinguium Hoeders van vette schapen zingen in het weelderige gras
custodes ouium carmina fistula 10 fluitliederen en vermaken de god
delectantque deum, cui pecus et nigri wie het vee en de zwarte heuvels
colles Arcadiae placent. van Arcadie vermaken.
In deze strofe gaat Horatius weer als vanouds door met het beschrijven van de lente. Wat doet ons immers meer aan de lente denken dan het bucolische ideaal van herders die in het gras bij hun gezond uitziende kuddes wat op hun fluit spelen?
Adduxere sitim tempora, Vergili; De tijden hebben de dorst teruggebracht, Vergilius;
sed pressum Calibus ducere Liberum maar als jij snakt een Liberische wijn geperst in Cales
si gestis, iuuenum nobilium cliens, 15 te brengen, cliënt van edele jongemannen
nardo uina merebere. Moet je wijn kopen in ruil voor een nardusplant.
In de volgende strofe komen we echter aan bij de kern van het gedicht. Op weinig tactvolle wijze slaat Horatius om van bucolische romantiek naar een waar drinklied dat doet denken aan Alcaeus. De lente maakt dorstig, zo stelt Horatius. Horatius lijkt Vergilius graag wat wijn aan te bieden. Hij moet er echter wel voor betalen. De prijs voor de wijn van Horatius is parfum van de nardusplant. Nardus, ook wel bekend als Jatamansi, is nauw verwant aan de valeriaan-achtigen. De olie heeft een kalmerende, koortsverlagende en huid-helende werking. Nardus heeft een verwarmende geur die stabiel maakt en reinigt de lucht. Met deze zakelijke instelling lijkt Horatius het dertiende gedicht van Catullus om te draaien en zodoende te parodiëren.
Nardi paruus onyx eliciet cadum, Een kleine onyx vol nardus zal een urn doen verschijnen
qui nunc Sulpiciis accubat horreis, die nu in de Sulpicische voorraadkamers sluimert
spes donare nouas largus amaraque vrijgevig nieuwe hoop te schenken en werkzaam
curarum eluere efficax. 20 om de bitterheid van zorgen weg te spoelen
Een kleine onyx vol nardusparfum is voldoende als betaling. Onyx is een mineraal en een variëteit van kwarts. Er zijn verschillende soorten onyx, maar meestal zijn ze zwart met witte lagen. Onyx wordt tegenwoordig veel gebruikt als siersteen in ringen en pendanten. Ook in de Romeinse keizertijd werd het mineraal al voor verschillende toepassingen gebruikt, vooral toepassingen in de begrafenissfeer. We kunnen ons dus voorstellen dat er in dit geval een parfumflesje is gemaakt van juist onyx, de steen van de doden. In ruil voor een dergelijk flesje vol Nardus, laat Horatius een kruik Sulpicische wijn verschijnen om de zorgen weg te spoelen.
Ad quae si properas gaudia, cum tua Als jij naar deze geneugten verlangt, kom dan snel
uelox merce ueni; non ego te meis met jouw handelswaar; ik denk er niet aan jou voor niets
inmunem meditor tinguere poculis, met mijn bekers te bevochtigen,
plena diues ut in domo. Zoals een rijkaard in een vol huis.
In deze strofe benadrukt Horatius de handel nog eens. Hij zal Vergilius niet voor niets een wijntje aanbieden. Het geld groeit hem niet op zijn rug, zo lijkt hij te willen zeggen.
Verum pone moras et studium lucri, 25 Maar zet je aarzeling en je winstbejag aan de kant,
nigrorumque memor, dum licet, ignium indachtig aan zwarte vuren, zolang het nog kan
misce stultitiam consiliis breuem: meng een vlaag van verstandsverbijstering in je agenda
dulce est desipere in loco. Het is aangenaam die op zijn tijd te smaken.
De laatste strofe is moeilijk te plaatsen. Vergilius wordt hier aangespoord om zijn winstbejag eens aan de kant te zetten en zich eens losbandig te gedragen. Het is mij echter niet geheel duidelijk of deze aansporing bedoeld is om Vergilius zijn geld af te laten staan aan Horatius in ruil voor de wijn, of dat de ware boodschap van de tekst, zoals vaker gezien bij Horatius, carpe diem is.
3.3.2 Dé Vergilius, of zomaar een koopman?
Porphyrio meldde nog zonder meer dat deze ode gericht is aan Vergilius. Wanneer iemand echter naar de latere anonieme scholia kijkt, ziet hij dat het in de ode ineens niet meer zou gaan om de dichter Vergilius, maar om een unguentarius, een negotiator of een medicus. Daarbij komt nog Suetonius, die in zijn Vita Horatii schrijft: ut non modo saeculare carmen componendum iniunxerit, sed et Vincelicam vicoriam Tiberii Drusique privignorum suorum, eumque coegerit propter hoc tribus carminum libris ex longo intervallo quartum addere, waarmee hij ons doet geloven dat het vierde boek slechts is toegevoegd om Augustus en de zijnen te celebreren, waardoor de overige gedichten van boek 4 slechts opvulling zouden zijn.
Zowel Quinn als Nisbet en Hubbard zijn het er echter over eens dat de ode wel degelijk tot de dichter Vergilius is gericht. Minadeo beaamt dit. Hij stelt dat er een relatie is tussen Ode 1.3 en Ode 4.12. Dit baseert hij ten eerste op de plaats van de beide oden binnen het geheel van de oden en ten tweede op de interactie tussen de oden. De eerste drie oden van boek 1 gaan over achtereenvolgens Maecenas, Augustus en Vergilius. Van de laatste vijf oden van boek 4 gaan er twee over Augustus, één over Maecenas en één over Vergilius. We kunnen dus stellen dat de verzameling oden zowel begint als eindigt met deze drie heren. Hoe aannemelijk is het dan, zegt Minadeo, dat Vergilius, die dus aan het begin en aan het eind van de oden van belang is, alleen aan het begin bedoeld is? Minadeo geeft toe dat de symmetrie tussen het begin en het eind niet perfect is; hij ziet dit echter niet als een probleem, omdat 4.12 volgens hem ook de laatste carpe diem ode is. Ode 1.4 is de eerste carpe diem ode, waarmee 4.12 zowel symmetrisch op 1.3 lijkt te staan als op 1.4.
Minstens even belangrijk is de plaats van 4.12 binnen boek 4. Het centrale gedicht van boek 4 is ode 4.7. De oden daarvoor (4.1-4.6) en de oden daarna (4.8-4.15) vormen aparte groepen. Binnen de groep oden na 4.7 is de structuur heel duidelijk. De eerste twee gedichten en de laatste twee gedichten gaan allebei over heldendom. Daarbinnen bevinden zich twee propemptica (4.10 voor Ligurinus en 4.13 voor Lyce) en daar weer binnen bevinden zich twee gedichten (4.11 en 4.12) die gericht zijn aan Maecenas en Vergilius. Maecenas en Vergilius staan in dit gedeelte dus helemaal centraal. Dergelijke hellenistisch aandoende groepering van gedichten was zeer populair onder dichters als Vergilius, Horatius en Catullus.
Een ander bewijs vinden we in het metrum. Ode 4.12 is geschreven in de derde Asclepiadeïsche strofe. Algemeen wordt aangenomen dat Horatius zijn belangrijkste werk schreeft in Sapphische of Alcaeïsche strofen. In de Asclepiadeïsche strofe heeft Horatius acht gedichten geschreven, waarvan er tenminste zeven belangrijke thema’s behandelen en bekende adressaten hebben. Ook hieruit kunnen we opmaken dat deze ode wel degelijk tot Vergilius gericht moet zijn.
Naast dit externe ‘bewijs’ voor zijn stelling, ziet Minadeo ook intern bewijs, namelijk de relatie tussen 4.12 en 1.3. Ode 1.3 opent met de wens dat Vergilius veilig aankomt in Attica. In vers 6 van 4.12 staat cecropiae domus, hetgeen een verwijzing is naar hetzelfde Attica. Verder is de derde strofe van 4.12 een verwijzing naar Ecloga 6.4. Tot slot is daar de commerciële taal waardoor het begin van 1.3 gekenmerkt wordt. Woorden als creditum, debes en reddas verwijzen naar het principe quid pro quo, in het teken waarvan heel 4.12 staat. Dit principe van quid pro quo staat in inronische relatie tot het animae dimidium meae uit 1.3: wat Vergilius in 1.3 al was, moet hij in 4.12 verdienen als ware hij een handelaar.
Ook met 1.24, de andere ode die over Vergilius handelt, zijn opvallende overeenkomsten aan te wijzen. Ten eerste zijn beide oden in hetzelfde metrum – de derde asclepiadeïsche strofe – geschreven. Verder hebben de oden dezelfde structuur. In beide oden is er namelijk een centrale strofe die aan weerszijden omringd is door een gelijk aantal strofen (twee in 1.24 en 3 in 4.12).
Niet alleen staat 4.12 in relatie tot 1.3 en 1.24, maar ook tot de rest van het oeuvre van Vergilius. Voor veris comites vinden we een parallel in Culex 1.344: comes huic erat aura secunda. In quae mare temperat zien we het gebruik van een typisch Vergiliaans woord tempero. Impellunt animae lintea Thraciae weerspiegelt Georgica 4.305, waar Vergilius schrijft: hoc geritur Zephyris primum impellentibus undas. De woorden prata rigent doen ons denken aan het woord dat Vergilius het meest gebruikt om vorst weer te geven. En met tenero gramine kiest Horatius weer voor een typisch Vergiliaans woord. In enkele regels vinden we dus een groot aantal typisch Vergiliaanse woorden die Horatius normaliter vreemd zijn. Niet alleen op woordniveau, maar ook qua inhoud zien we in 4.12 Vergilius terug. De tweede strofe begint met de nachtegaal die huilt om de vermoorde Itys – typisch Vergiliaanse stof – terwijl Horatius Itys of de nachtegaal elders niet noemt. In strofe 3 noemt Horatius Arcadia, een landstreek die hij verder nergens noemt. Dat Horatius zozeer afwijkt van zijn normale stijl behoeft een verklaring en de eenvoudigste verklaring is in dit geval dat hij deze ode schreef voor Vergilius.
3.3.3 Waarom dan deze taal?
Hier hangt echter automatisch mee samen dat Horatius, zoals reeds gesteld in 4.12 inderdaad minder positief over Vergilius oordeelt dan in 1.3 en dat ook nog in een ode die misschien wel jaren na de dood van Vergilius is gepubliceerd! Minadeo probeert dit goed te praten door te stellen dat ode 4.12 – aan het eind van boek 4 – ons doet denken aan Vergilius, waar Horatius boek 2 en boek 3 van de oden heeft afgesloten met een herinnering aan zijn eigen werk en dichterschap. Op deze manier versmelten Horatius en Vergilius toch weer. Kennelijk meent Minadeo dus dat we meer op het noemen van Vergilius moeten letten, dan op de manier waarop Vergilius genoemd wordt.
Bowra heeft een andere verklaring. Het toespreken van Vergilius op deze manier is niet in overeenstemming met het karakter van Vergilius, we moeten dit dus opvatten als grapje. Vergilius was namelijk een rijke maar bescheiden man die niet veel geld uitgaf. Studium lucri zouden in dat geval woorden zijn die niet met zijn karakter te verenigen zijn. Volgens Bowra is het echter zo dat het in literaire kringen gebruikelijk was op grappige wijze collega-dichters te bespotten en niet altijd met evenveel respect over hen te spreken.
Belmont verklaart de toon van Horatius in dit gedicht vooral aan de hand van de structuur van boek 4 van de Oden. Dit boek is qua metrum en onderwerpen zeer gevarieerd. Ook is het boek, zo stelt Belmont, niet meer Romeins dan de andere drie boeken. Wel merkt hij op dat het boek erg Vergiliaans is, zelfs als we 4.12 niet mee zouden rekenen. De toon van boek 4 is er volgens Belmont een van spijt, van bewustzijn van de eigen sterfelijkheid, maar ook van humor, en wel van humor die door ons dikwijls wordt misverstaan. Hiermee zit hij op de lijn van Bowra. Belmont stelt echter wel dat het hem niet waarschijnlijk lijkt dat Horatius een dergelijk lichtvoetig gedicht na de dood van Vergilius geschreven zou hebben. Wanneer dan wel? Belmont denkt dat dit gedicht geschreven is toen Vergilius pas net aan de Aeneis was begonnen. Op de vraag waarom Horatius dan een zo vroeg gedicht heeft gepubliceerd in boek 4, antwoordt Belmont eenvoudig dat het gedicht te goed was om niet gepubliceerd te worden.
Moritz meent echter dat boek IV helemaal niet bestaat uit ‘left-overs’. Alle gedichten in boek IV wekken volgens hem de indruk speciaal voor deze gelegenheid geschreven te zijn, dus is het niet waarschijnlijk dat alleen 4.12 ergens uit een lade geplukt zou zijn ter opvulling. Op sommige punten lijkt het gedicht erg op de uitnodiging van Catullus aan Fabullus. De toon van 4.12 is echter minder luchtig en de beschrijving van de lente correspondeert niet met Catullus. Moritz stelt liever dat het niet vreemd is dat Horatius na Vergilius’ dood over deze dichter schrijft. Hij lijkt te hebben gedacht dat zijn boek niet compleet zou zijn zonder een vermelding van Vergilius alsof hij probeert te zeggen: “Ik zou willen dat je nog in leven was”.
4. TOT SLOT
Horatius en Vergilius worden vaak in één adem genoemd als dé dichters van het Augusteïsche tijdperk of als dé dichters uit de kring van Maecenas. Hoewel de heren erg verschillend waren, zijn ze toch bevriend geraakt. In hun werk zijn veel parallellen aan te wijzen. Desondanks weten we zeer weinig over hun relatie. Vergilius spreekt nooit over Horatius en Horatius noemt Vergilius slechts sporadisch. Wanneer hij hem noemt, is dat altijd als vriend en nooit als dichter. Dit was voor mij reden om, nadat ik in het tweede hoofdstuk een reeks overeenkomsten tussen de werken van beide dichters had aangewezen, de plaatsen in de Horatius’ Oden waar Vergilius genoemd wordt aan een inspectie te onderwerpen.
Eerst heb ik ode 1.3 bekeken. Wanneer men spreekt over de vriendschap tussen Horatius en Vergilius, wordt in een groot aantal gevallen de beschrijving animae dimidium meae gebruikt. Kennelijk was Vergilius Horatius zo dierbaar, dat de laatste hem beschouwde als zijn wederhelft. Wanneer Vergilius dan ook op zeereis gaat naar Griekenland, schrijft Horatius voor hem een propempticon met daarin enige diepe persoonlijke noten, zoals de beschrijving animae dimidium meae en het verhaal van Orpheus. Hoewel het gedicht uitmondt in een diatribe die op verschillende manieren te verklaren is (waarvan ik – uit romantische overwegingen – de verklaring dat Horatius door het prijzen van moed indirect ook de moed en kundigheid van Vergilius prijst, het mooist vind), vertelt het ons niet meer over de relatie tussen Horatius en Vergilius dan dat er sprake geweest moet zijn van een warme vriendschap.
Ode 1.24 laat ons al even weinig zien over de verhouding tussen de dichters. Wij weten dat Quintilius Varus een vriend van beiden geweest is en dat de dichters daarom diep getreurd moeten hebben om zijn verlies. Hoewel hierop door geen van de door mij geraadpleegde werken is ingegaan, zegt het voor mijn gevoel wel iets dat Horatius niet zomaar een gedicht over Quintilius heeft geschreven, maar dit gedicht in plaats daarvan aan Vergilius heeft gericht. Dit betekent toch in ieder geval dat Horatius naast een algemene les over patientia zijn collega en vriend heeft willen troosten met een gedicht. Opnieuw zie ik hierin aanleiding om een warme vriendschap te veronderstellen.
Ode 4.12 is geheel anders van toon, waardoor sommige commentatoren menen dat de hier aangesproken Vergilius niet de dichter Vergilius is. Het artikel van Minadeo, waarin uit metrische, intertextuele en inhoudelijke overwegingen gesteld wordt dat deze ode wel degelijk tot de dichter Vergilius is gericht, komt op mij zeer geloofwaardig over. De verklaring voor de minder vriendschappelijke toon is echter ver te zoeken. Zoals velen kan ik mij niet voorstellen dat Horatius één vroeg gedicht zou publiceren in zijn laatste boek Oden. Anderzijds kan ik mij ook niet goed indenken dat hij na Vergilius’ dood minachtend over zijn vriend gedicht zou hebben. De literaire gewoonte om collega’s te bespotten, kan hier ook van toepassing zijn. Wanneer we deze opvatting combineren met die van Moritz, zou het dus zo geweest kunnen zijn dat Horatius Vergilius ook na diens dood nog bleef bespotten, zoals onder dichters gebruikelijk was en hiermee de dood van Vergilius negeerde, alsof hij wenste dat Vergilius nog bij hem was en op deze wijze de vriendschap eenzijdig in stand hield. We moeten immers niet vergeten dat Horatius juist zijn animae dimidium verloren had.
Bij het bestuderen van allerhande literatuur over ode 4.12 viel mij op dat er geen enkele geleerde tot een sluitende interpretatie van het gedicht lijkt te zijn gekomen. Enkele belangrijke vragen, die zouden kunnen helpen bij het in het juiste perspectief zien van de aangesproken Vergilius, lijken te zijn overgeslagen. Het gedicht is gericht tot Vergilius. Zijn ons meer Vergilii bekend? Zo niet, dan is het waarschijnlijker dat de aangesproken Vergilius de dichter is. Een belangrijke vraag kan vervolgens zijn of er meer gedichten tot dode mensen zijn gericht. Een andere vraag kan zijn of er in boek 4 meer eerdere gedichten zijn opgenomen. Dat Vergilius namelijk overleden is ten tijde van de publicatie van boek IV, wordt aangenomen, maar of Vergilius leefde of niet ten tijde van het schrijven van ode 4.12 is ons een raadsel. Meer informatie over de structuur van boek IV zou bij de beantwoording van deze vraag kunnen helpen. Dit is een onderwerp dat derhalve in de toekomst meer onderzoek behoeft.
5. GERAADPLEEGDE LITERATUUR
Papieren publicaties
Baca, A.R. “Horace Odes 1.7 and Vergil” In: Pacific Coast Philology 2, 25-27. 1967.
Basto, R. “Horace Odes 3.2 and Aeneid 12” In: The classical journal 78, 2, 127-130.1982.
Belmont, D.E. “The Vergilius of Horace” In: Transactions of the American Philological Association 110, 1-20. 1980.
Bowra, C.M. “Horace Odes IV.12” In: The classical review 42, 5, 165-167. 1928.
Campbell, J.S. “Animae dimidium meae: Horace’s tribute to Vergil.” In: The classical journal 82, 4, 314-318. 1987.
Carruba, R. “The structure of Horace Odes 1.3” In: The American Journal of Philology 105, 2, 166-173. 1984.
Duckworth, G.E. “Supplementary paper: Animae dimidium meae: Two poets of Rome.” In: Transactions and proceedings of the American philological association 87, 281-316. 1956.
Elder, J.P. “Horace C. 1.3” In: The American journal of Philology 73,2, 140-158. 1952.
Minadeo, R. “Vergil in Horace’s Odes 4.12” In: The classical journal 71, 2, 161-164. 1976.
Moritz, L.A. “Horace’s Vergil” In: Greece&Rome 16, 2, 174-193. 1969.
Nisbet, R.G.M. en Hubbard, M. A commentary on Horace: Odes boek 1. Oxford: Clarendon Press 1970.
Putnam, M.C. “The langguage of Horace Odes 1.24”. In: The classical journal 88,2, 123-135. 1992.
Schrijvers, P. Horatius Verzamelde Gedichten. Groningen: Historische uitgeverij 2003.
Sullivan, G.J. “Horace Odes 3.2.21” In: The classical journal 58,6, 267-268. 1963.
Syndikus, H.P. Die Lyrik des Horaz. Eine Interpretation der Oden. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft 1990. (2 delen)
Traill, D.A. “Horace C. 1.3: A political ode?” In: The classical journal 78,2, 131-137. 1982.
Internetpublicaties
http://www.gezondidee.nl/etherique/etherischeoliepages/infonardus.htm
http://nl.wikipedia.org/wiki/Onyx_%28mineraal%29