Laatste posts

Countdown:

  • Trouwen Wim & Jessie:
    in 1 week, 5 days, 21 hours, 12 minutes, 17 seconds
  • Kijken naar keizers: Suetonius en de Fysiognomie (bachelorscriptie)

    INLEIDING

    De biograaf Gaius Suetonius Tranquillus (69/70-140) en zijn tijdgenoot Publius Cornelius Tacitus (55-120) beschreven beiden op basis van de keizerlijke jaarverslagen de Romeinse keizertijd tot de dood van keizer Domitianus. Suetonius’ werk is echter minder literair van aard en meer toegespitst op de persoonlijke belevenissen en eigenaardigheden van de keizers. In tegenstelling tot Tacitus geeft Suetonius zeer uitgebreide beschrijvingen van de uiterlijke kenmerken en karaktertrekken van de keizers.
    Tijdens een van de colleges van een collegereeks over Romeinse historiografie kwam naar voren dat het misschien interessant zou zijn deze beschrijvingen van Suetonius te confronteren met de fysiognomische studies, die in de oudheid in omloop waren. Onder fysiognomie, oftewel gelaatkunde, verstaat men het afleiden van zekere karaktertrekken uit bepaalde uiterlijke kenmerken. Zo zou een lange nek duiden op lafheid, haar rond de navel op een praatziek karakter en een puntige neus op onverholen woede. Het onderwerp heeft mij door mijn grote belangstelling voor met name de Julisch-Claudische keizers en mijn altijd aanwezige zucht naar sappige details niet meer losgelaten.
    Het is niet zeker welke fysiognomische werken Suetonius gekend heeft, maar daar fysiognomen veelal op dezelfde wijze te werk gingen en soortgelijke gegevens publiceerden, kan elke fysiognomische studie uit de oudheid voor dit onderzoek gebruikt worden. Als representatieve studie heb ik gekozen voor de Physiognomonica van Pseudo-Aristoteles, de bekendste fysiognomie uit de oudheid. Hiervoor heb ik de edities van Foerster (1893) en Hett (1989) gebruikt. De Nederlandse vertalingen van de Physiognomonica zijn van eigen hand. Voor Suetonius heb ik de editie van Rolfe (1914) gebruikt. De Nederlandse vertalingen van Suetonius zijn afkomstig uit het werk van Den Hengst (2002).
    Het onderwerp van mijn onderzoek staat niet in een uitgebreide traditie. Zowel filologen als filosofen hebben de fysiognomie veelal naast zich neergelegd als antieke, inhoudelijk speculatieve lectuur die geen onderzoek behoefde. Hierbij wil ik opmerken dat het onderzoeken van de invloed die de fysiognomie mogelijk heeft uitgeoefend op Suetonius of – in breder verband – op de Romeinse samenleving, uitermate boeiend kan zijn, omdat men hierdoor niet meer slechts bezig is met de inhoud van de tekst van Suetonius, maar ook met de wijze waarop deze inhoud gevormd en tot stand gekomen is. ‘The making of…’, zoals men dat in moderne bewoordingen pleegt te noemen.
    Het verband tussen Suetonius en de fysiognomie is eerder gelegd door Couissin (1953) in het artikel ‘Suétone physiognomoniste dans les Vies des XII Césars’. Barton (1994) behandelt in haar artikel ‘The inventio of Nero: Suetonius’ de fysiognomische code die Suetonius gebruikt bij zijn beschrijving van Nero. Morton Braund en James (1998) spreken in hun artikel ‘Quasi Homo: Distortion and Contortion in Seneca’s Apocolocyntosis’ over de manier waarop aan goede keizers een buitengewone schoonheid wordt toegedicht, terwijl een slechte of gehate keizer als uiterlijk onaantrekkelijk wordt neergezet. Als belangrijkste bronnen heb ik het werk van Evans (1941, 1950 en 1969) en de Nederlandse artikelen van Laes (1997) en Van Houdt (2000) gebruikt.
    In de hoofdstukken twee en drie van deze scriptie is voornamelijk inleidende informatie opgenomen. Hoofdstuk twee behandelt het leven en werk van Suetonius en hoofdstuk drie geeft informatie over de geschiedenis van de fysiognomie en het werk en de methoden van de antieke fysiognomisten. Het belangrijkste gedeelte van mijn onderzoek wordt gevormd door hoofdstuk vier, waarin ik de fysiognomie en Suetonius bij elkaar heb gebracht.
    Op basis van de Physiognomonica van Pseudo-Aristoteles heb ik eerst een overzicht gemaakt van alle lichamelijke kenmerken met de daarbij behorende karaktereigenschappen. In dit overzicht worden achtereenvolgens de vindplaats, het lichamelijke kenmerk, de karaktereigenschap en in enkele gevallen ook nog de dierlijke equivalent genoemd. De lijst heb ik vervolgens geordend naar aanleiding van een opmerking die Pseudo-Aristoteles in het begin van de Physiognomonica maakt.

    ‘Het meest belangrijke gedeelte van het onderzoek is de streek rond de ogen, het voorhoofd, hoofd en gezicht. Op de tweede plaats komt de streek rond de borst en de schouders en op de laatste plaats het gebied van de armen en benen. De delen rond de buik zijn van het minste belang.’

    Vervolgens heb ik De vita Caesarum van Suetonius bekeken. Eerst heb ik voor twee van de keizers die Suetonius behandelt, Augustus en Caligula, een lijst gemaakt van de uiterlijke kenmerken die aan deze keizers toegeschreven worden. Het werd meteen duidelijk dat de lichamelijke kenmerken van keizer Augustus, een keizer voor wie Suetonius veel waardering heeft, grotendeels duiden op dapperheid. De uiterlijke kenmerken van Caligula daarentegen, een keizer met een slechte pers, leggen de nadruk op de lafheid van deze keizer. Op basis van de genoemde gegevens kon ik concluderen dat het zeker de moeite waard zou zijn om een soortgelijk onderzoek uit te voeren voor alle keizers.
    Eerst heb ik voor alle twaalf keizers die Suetonius behandelt een lijst gemaakt van hun uiterlijke eigenschappen. Deze eigenschappen heb ik vervolgens opgezocht in de fysiognomische lijst die ik had gedestilleerd uit de Physiognomonica van Pseudo-Aristoteles. Met de karaktertrekken die de Physiognomonica op deze wijze aan de keizers toeschrijft, is het mogelijk een karakterprofiel voor elk van de keizers op te stellen. Dit karakterprofiel heb ik vervolgens weer vergeleken met het karakter dat Suetonius van elk van de keizers schetst. De resultaten van deze vergelijking, waarvan de uitwerking te vinden is in hoofdstuk vier, geven ons informatie over het verband tussen Suetonius en de fysiognomie.
    Om echter een zo compleet mogelijk beeld te verschaffen van de mate waarin Suetonius beïnvloed is door de fysiognomie heb ik in hoofdstuk vijf nog de uiterlijke beschrijvingen van Suetonius vergeleken met een andere werkelijkheid, namelijk die van de keizerportretten. Dit idee is mij ingegeven door het werk van Curtius (1931), die zich heeft verdiept in de fysiognomie van het Romeinse portret. Voor een uitgebreide uitwerking is in dit verband geen ruimte; ik heb slechts de keizer Augustus en Caligula in dit verband bekeken als aanloop naar eventueel verder onderzoek.
    Voor het tot stand komen van dit werk wil ik mijn begeleider Vincent Hunink, die mij het onderwerp van deze scriptie bracht, en mijn meelezers Ine Mensink-Jenniskens en Wim Pelgrim bedanken.

    Jessie Mensink
    Nijmegen, mei 2006

    (…)
    (De gehele scriptie is voor de waarlijk geïnteresseerde bezoeker te verkrijgen via het contactformulier)

    TER AFSLUITING

    Na twee inleidende hoofdstukken, het eerste over Suetonius en het tweede over de fysiognomie, begint in hoofdstuk drie mijn eigenlijke onderzoek.
    De essentie van dit hoofdstuk is het analyseren van Suetonius’ uiterlijke beschrijvingen van de keizers, die door hun vele details in het oog springen. Uit een confrontatie van de uiterlijke beschrijvingen met de Physiognomonica, door steeds aan de door Suetonius genoemde eigenschappen hun door de fysiognomie bepaalde betekenis toe te kennen, volgt in veel gevallen een tamelijk eenduidig fysiognomisch karakterprofiel. Zo behoort Augustus bij het type van de dappere leeuw en Caligula bij dat van de laffe panter. Niet alleen is het fysiognomisch karakterprofiel dat volgt vaak eenduidig, ook komt het in veel gevallen sterk overeen met het karakter van de keizer, zoals Suetonius dat schetst. Er zou hier dus sprake kunnen zijn van een bepaalde invloed van de fysiognomie op Suetonius’ beschrijvingen.
    Om nog op een andere manier naar de keizers te kijken, laat ik in hoofdstuk vier een confrontatie volgen van Suetonius’ beschrijvingen van de keizers Augustus en Caligula met de bewaarde portretten en standbeelden van deze keizers. Daaruit blijkt dat zowel bij Augustus als bij Caligula de verschillen tussen de driedimensionale beelden en de beschrijvingen van Suetonius groot zijn. Enerzijds kan dit erop duiden dat de beelden geïdealiseerd waren. Anderzijds kan het ook betekenen dat Suetonius zijn beschrijvingen heeft bijgeschaafd omwille van de indruk die hij wilde geven van de keizers.
    De oplossing ligt misschien in het midden. Keizerbeelden werden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geïdealiseerd. Het lijkt echter niet aannemelijk dat die beelden zozeer werden geïdealiseerd dat ze onherkenbaar werden. De Romeinse burgers moesten immers wel hun keizer kunnen herkennen in de beelden die ze zagen. Als de beelden niet geheel geïdealiseerd zijn, maar voor een deel de werkelijkheid weerspiegelen, zoals ook Van Houdt en Janson menen, ontstaat er een probleem, wanneer de beelden lijnrecht tegenover de beschrijvingen van Suetonius staan. De suggestie dringt zich dan op dat de beschrijvingen van Suetonius in ieder geval gedeeltelijk afwijken van de werkelijkheid.
    Deze suggestie wordt ten eerste ondersteund door wat over Suetonius bekend is: zijn werk draait minder om de historische werkelijkheid dan om het schetsen van de persoon achter de keizer. In het gebruik van zijn bronnen is hij niet erg nauwkeurig. Het uiterlijk dat Suetonius beschrijft is meestal gebaseerd op opmerkingen die hij heeft gehoord, zoals gezegd in het eerste hoofdstuk. Hij gebruikt, zo stelt Wardman, geen beeldmateriaal ter controle, zoals Plutarchus wel doet.
    Dat Suetonius de plastische beelden van keizers kende blijkt uit het feit dat hij ze noemt. Hij doet dat echter niet in verband met het uiterlijk van de keizers, maar slechts om aan te geven in welk aanzien een keizer stond en welke eerbewijzen hem gegeven werden. Men kan zich afvragen waarom Suetonius de beelden verder niet gebruikte en er zelfs van afweek, terwijl hij ze wel kende. Wist hij dat de beelden geïdealiseerd waren en achtte hij daarom zijn andere bronnen betrouwbaarder? Of is hij misschien willens en wetens van de beelden afgeweken omwille van zijn eigen verhaal?
    Suetonius leefde, evenals zijn lezers, geruime tijd na deze keizers. Bij andere historiografen en biografen, zoals Tacitus en Plutarchus, zijn de uiterlijke beschrijvingen van keizers – als ze er al zijn – aanzienlijk minder gedetailleerd en bieden dus weinig vergelijkingsmateriaal dat de beschrijvingen van Suetonius eventueel zou kunnen ontkrachten. Verder zagen de Romeinse burgers voornamelijk beelden van de keizer die op dat moment aan de macht was, waardoor ook de beelden amper vergelijkingsmateriaal boden, waarop Suetonius afgerekend kon worden. Het moet zodoende niet erg moeilijk geweest zijn om de beschrijvingen aan te passen zonder aan geloofwaardigheid in te boeten.
    Ten slotte kom ik dan weer terug bij de confrontatie van de beschrijvingen van Suetonius met de fysiognomie. De fysiognomische karakterprofielen, die ontstaan wanneer aan de uiterlijke kenmerken die Suetonius noemt hun fysiognomische betekenis wordt toegekend, kloppen zo mooi met de karakters die Suetonius de keizers zelf toeschrijft, dat ook dit de suggestie wekt dat Suetonius zijn uiterlijke beschrijvingen in ieder geval deels naar de fysiognomie geschreven heeft.
    Bij het ontbreken van fotomateriaal uit de oudheid is de kans klein dat we ooit precies zullen weten hoe de keizers er uitgezien hebben. Daardoor is niet met zekerheid te zeggen of en in hoeverre Suetonius met zijn keizerbeschrijvingen is afgeweken van de werkelijkheid.
    Twee conclusies zijn in ieder geval uit dit onderzoek te trekken: ten eerste lijkt er invloed te zijn geweest van de fysiognomie op Suetonius’ manier van portrettering en ten tweede zijn de verschillen tussen zijn portretten en de feitelijk bewaarde beelden groot. De rest is een manier van kijken: kijken naar Suetonius, de fysiognomie, de beelden en de keizers.

    Jessie Mensink
    Nijmegen, mei 2006.

    BRONNEN

    Von Albrecht, M. 2003. Geschichte der römischen Literatur. München: Deutscher Taschenbuch Verlag.

    Bachrach, A.G.H.; Van Bork, G.J.; De Grève, M.; Weisberger, M.; Würzner, M.H. 1984. Moderne encyclopedie van de wereldliteratuur. Vol. 9. p. 183. Weesp: De Haan.

    Bradley, K.R. 1991. “The imperial ideal in Suetonius Caesares”. In: Aufstieg und Niedergang der römischen Welt (ed. Haase, W. ; Temporini, H.) II, 33, 5, pp. 3701-3731. Berlin: Walter de Gruyter.

    De Bruyn, E.B. 1979. Sex en Eros bij Martialis. Amsterdam: De Arbeiderspers.

    Campe, R., Schneider, M. 1996. Geschichten der Physiognomik: Text – Bild – Wissen. Freiburg: Rombach.

    De Coninck, L. 1991 “Les sources documentaires de Suétone ‘les XII Césars’ 1900-1990”, in: Aufstieg und Niedergang der römischen Welt (ed. Haase, W. ; Temporini, H.) II, 33, 5, pp. 3675-3700. Berlin: Walter de Gruyter.

    Curtius, L. 1931. ‘Physiognomik des römischen Porträts’. In : Die Antike, 7, 226-254.

    Delano, H. 1963. Sallustius: de oorlog met Iugurtha. Amsterdam: J.M. Meulenhoff.

    Della Corte, F. 1958. Suetonio, eques romanus. Milano: Varèse.

    Evans, E.C. 1935. “Roman descriptions of personal appearance in history and biography”. In: Harvard Studies in Classical Philology 46, 43-84.

    Evans, E.C. 1969. “Physiognomics in the ancient world.” In: Transactions of the American Philosophical Society 59, 5.

    Förster, R. 1994. Scriptores physiognomonici Graeci et Latini. Stutgard: Teubner.

    Galand-Hallyn, P. 1991. “Bibliographie Suétonienne (Les ‘Vies des XII Césars’) 1950-1988. Vers une réhabilitation”, in: Aufstieg und Niedergang der römischen Welt (ed. Haase, W. ; Temporini, H.) II, 33, 5, pp. 3576-3622. Berlin: Walter de Gruyter.

    Habicht, W.; Lange, W. 1988. Der Literatur Brockhaus. Vol. 3, p. 468. Mannheim: Brockhaus.
    D’Hane-Scheltema, M. 1998. Ovidius: Metamorphosen. Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep.

    Hekster, O. 2005. Beelden van macht. Nijmegen: Radboud Universiteit Nijmegen.

    Houdt, van, T. 2000. “De taal van het lichaam, fysiognomiek en retoriek in de Romeinse keizertijd”. In: Kleio 29, 50-65.

    Janson, H.W. 2001. History of art. London: Thames & Hudson.

    Kaufmann, N. 1895. Die Physiognomik des Aristoteles. S.l.: s.n.

    Laes, C. 1997. “Hoe zie ik eruit ? De antieken en de fysiognomiek”. In: Hermeneus 69, 4, 235-240.

    Lewis, R.G. 1991. “Suetonius’ Caesares and their literary antecedents”, in: Aufstieg und Niedergang der römischen Welt (ed. Haase, W. ; Temporini, H.) II, 33, 5, pp. 3623-3674. Berlin: Walter de Gruyter.

    Lübke-Pernice. 1958. Die Kunst der Römer. Wien: Paul Neff Verlag.

    MacC. Armstrong, A. 1958. “The methods of the greek physiognomists” In: Greece & Rome 5, 1, 52-56.

    Macé, A. 1900. Essai sur Suetone. Paris: Fontemoing.

    Meijer, J.W. 1990. Tacitus: Jaarboeken. Baarn: Ambo.

    Misener, G. 1924. “Iconistic portraits”. In: Classical Philology 19, 2, 97-123.

    Mommsen, Th. 1869. “Zur Lebensgeschichte des jüngeren Plinius” In: Hermes 3, 31-139.

    Mooney, G. W. vert. 1979. C. Suetoni Tranquilli De vita Caesarum. New York: Arno Press.

    Morton Braund, S. en James, P. 1998. “Quasi Homo: distortion and contortion in Seneca’s Apocolocyntosis” In: Arethusa 31, 3 Vile bodies: roman satire and corporeal discourse.

    Radler, R. 1991. Kindlers Neue Literatur Lexikon. Vol. 16, p. 177. München: Kindler Verlag.

    De Roy van Zuydewijn, H.J. 2004. Homerus: Ilias, de wrok van Achilles. Amsterdam: De Arbeiderspers.

    Shelton, J.A. 1998. As the Romans Did: A Sourcebook in Roman Social History . Oxford: Oxford University Press.

    Shuckburgh, E.S. ed. 1979. C. Suetoni Tranquilli Divus Augustus. New York: Arno Press.

    Wardman, A.E. 1967. “Description of personal appearance in Plutarch and Suetonius: the use of statues as evidence” In: The classical quarterly 17, 2, 414-42.

    Wischer, E. 1981. Propyläen Geschichte der Literatur. Vol. 1 (Die Welt der Antike), p. 431. Berlin: Propyläen Verlag.

     

    Leave a Reply

    Your email address will not be published. Required fields are marked *

    *

    You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>