De opvolgingsstrijd na de dood van Caesar

1. INLEIDING

Bron 1: Suetonius I, 82.
Assidentem conspirati specie officii circumsteterunt illicoque Cimber Tillius, qui primas partes susceperat, quasi aliquid rogaturus proprius accessit renuentique et gestu in aliud tempus differenti ab utroque umero togam apprehendit; deinde clamantem “ista quidem vis est !” altere Cascis aversum vulnerat paulum infra iugulum. Caesar Cascae bracchium arreptum graphio traiecit conatusque prosilire alio vulnere tardatus est; utque animadvertit undique se strictis pugionibus peti, toga caput obvolvit, simul sinistra manu sinum ad ima crura deduxit quo honestius caderet etiam inferiore corporis parte velata. Atque ita tribus et viginti plagis confossus est, uno modo ad primum ictum gemitu sine voce edito, etsi tradiderunt quidam Marco Bruto irruenti dixisse “kai su teknon” . Exanimis diffugientibus cunctis, aliquamdiu iacuit, donec lecticae impositum, dependente bracchio, tres servoli domum rettulerunt…
Toen hij zat gingen de samenzweerders om hem heen staan alsof ze hem wilden begroeten en meteen ging Cimber Tillius, die de leiding op zich had genomen, dichterbij staan alsof hij iets wilde vragen. Toen Caesar nee schudde en de vraag met een gebaar naar een ander tijdstip wegwuifde, rukte Tillius de toga van zijn beide schouders. Daarna, terwijl Caesar riep “wat voor geweld is dit?!” stak Cascis hem van de ene kant bijna in zijn keel. Caesar greep de arm van Casca en doorboorde die met zijn stilus en nadat hij geprobeerd heeft naar voren te springen is hij door een ander gewond. Toen hij merkte dat hij aan alle kanten door getrokken zwaarden belaagd werd, heeft hij met zijn toga zijn hoofd bedekt en trok deze tegelijkertijd met zijn linkerhand naar beneden om met ook zijn onderste lichaamsdelen bedekt eervoller te vallen. Zo is hij door drieëntwintig steken verwond met alleen bij de eerste steek een stemloze kreun, hoewel sommigen overleveren dat hij tegen Marcus Brutus die op hem af stormde heeft gezegd “ook jij, kind”. Terwijl allen vluchtten lag hij daar een tijd levenloos, totdat drie slaven hem, terwijl zijn arm slap naar beneden hing, op een bed naar huis droegen.

Op 15 maart 44 werd Caesar door de optimaten Marcus Junius Brutus en Gaius Cassius Longinus vermoord. Onmiddellijk na de moord riep Brutus, nog met de dolk in de hand dat de vrijheid was hersteld en noemde de naam van Cicero. Cicero spoedde zich naar het Capitool en koos openlijk partij voor de samenzweerders. Het lukte de samenzweerders echter niet de macht in de stad in handen te krijgen. De feitelijke macht kwam voor het moment in handen van Antonius en Lepidus.
Na de dood van Caesar vluchtte Antonius naar zijn huis. De andere hoofdrolspeler, Lepidus, leek op dat moment een grotere bedreiging voor de moordenaars van Caesar. Op 17 maart kwam de senaat bij elkaar. Allereerst moest er besloten worden wat er zou gebeuren met de moordenaar van Caesar. Lepidus was voor een gewelddadige oplossing, Hirtius en Antonius warden dat niet. Een compromis werd gesloten: de moordenaars van Caesar zouden niet gestraft worden, maar Caesars testament zou nagevolgd worden. Bovendien werd een publieke begrafenis voor hem geregeld. Dit compromis leek ogenschijnlijk werkbaar: na de begrafenis van Caesar en het voorlezen van zijn testament, ontstond er oproer en de moordenaars van Caesar ontvluchtten de stad. De hoofdpersonen in de machtsstrijd die ontstond waren Marcus Antonius, Lepidus, de senaat, de moordenaars van Caesar (Brutus, Cassius en anderen) en Octavianus.
Dat Marcus Antonius, De senaat en de bevrijders hun rol opeisten binnen de machtsstijd, is niet meer dan logisch. Marcus Antonius is magister equitum van Caesar geweest. Door zijn gebrek aan succes en zijn harde optreden werd hij impopulair en is hij uit zijn ambt ontslagen. In 44 werd hij echter weer in de gratie van Caesar aangenomen en diende als consul naast Caesar. Marcus Antonius bevond zich niet aan Caesars zijde toen deze werd vermoord, hoewel hij Caesar naar de betreffende senaatsvergadering had begeleid. De bevrijders hadden op voorhand besloten Marcus Antonius niet te vermoorden en hielden hem zodoende buiten de vergadering. Antonius, steunend op gewapende veteranen, bevestigde zijn macht na de dood van Caesar meer en meer en terroriseerde de senaat.
Ook de bemoeienis van Lepidus was te voorzien. Lepidus was één van de grootste aanhangers van Julius Caesar geweest. Hij begon zijn cursus honorum in 49 als praetor. In 46 werd hij consul en op het moment van de dood van Caesar was hij diens magister equitum.
Ook de inmenging van de senaat en de bevrijders is niet verbazingwekkend. De senaat hoopte, nu Rome bevrijd was van de dictator Caesar, evenals de moordenaars van Caesar de Res Publica te kunnen herstellen. Brutus en Cassius waagden het niet naar de stad terug te keren en verlieten Italië om zich oostwaarts te begeven, waar zij een legermacht verzamelden. Zowel samenzweerders als aanhangers van Caesar verschaften zich zoveel mogelijk provincies en legers.
Maar ineens was daar nog een strijder om de macht, genaamd Octavianus. Wie was deze jongeman? Gaius Octavius – later Octavianus- werd geboren op 23 september in 63 v.Chr, als zoon van man uit Velitrae die reeds onverwacht overleed toen Octavius pas vier jaar oud was. Zijn vader was getrouwd met Atia, een dochter van de zus van Caesar. De grootmoeder van Octavianus, Julia, was dus een zus van Caesar. Toen deze Julia overleed, sprak Octavius het eulogium uit in zijn eerste publieke optreden. Caesar, die kinderloos was, mocht zijn achterneefje graag.

Bron 2: Velleius Paterculus II, 59, 3.

Quem C. Caesar, maior eius avunculus, educatum apud Philippum vitricum dilexit ut suum.

Gaius Caesar, zijn oudoom, beminde hem, opgevoed bij zijn stiefvader Philippus, als zijn eigen kind.

De aard van de relatie tussen Caesar en Octavius is echter niet geheel duidelijk. Dio stelt dat Caesar Octavius begon te trainen als zijn opvolger, nadat Octavius officieel volwassen was geworden in 48 v.Chr.

Bron 3: Cassius Dio XLV, 1, 2.

Ἄπαις τε γὰρ ἐκεῖνος ὢν καὶ μεγάλας ἐπ´ αὐτῷ ἐλπίδας ἔχων ἠηάπα τε καὶ περιεῖπεν αὐτόν, ὡς καὶ τοῦ ὀνόματος καὶ τῆς ἐξουσίας τῆς τε μοναρχίας δίαδοχον καταλείψων

Omdat hij kinderloos was en grote hoop op hem gevestigd had, hield hij van hem en koesterde hij hem, om hem achter te laten als opvolger van zijn naam en de monarchie.

Suetonius vertelt dat Octavius in 48 werd opgenomen in het college van pontifices. Toen Caesar in 46 zijn vele overwinningen vierde, nam Octavius deel aan de optocht. In deze periode werd hij ook verheven tot patriciër. Hij volgde Caesar naar Spanje en naar Munda, waar hij tegen de Pompeianen vocht. Desondanks kunnen we mijns inziens stellen dat Octavius politiek gezien nog nergens was.
In de oververhitte atmosfeer van 44 zijn er enkele senaatsbesluiten genomen, die niet alleen op de monarchistische positie, maar ook op de dynastieke wensen van Caesar duidden : de eerste was een praenomen imperatoris voor Caesar en de overerving daarvan op zijn opvolger; de ander was de overerving van zijn ambt van opperpriester.
De beginselen van de dynastie waren daar. Alleen een opvolger ontbrak nog. Caesar adopteerde zijn achterneefje Octavius. Door deze adoptie kreeg Octavius de naam C. Julius Caesar Octavianus, een naam die al spoedig werd verkort tot de naam C. Julius Caesar, om te verbloemen dat Octavianus slechts adoptiefzoon was. Na de dood van Caesar mocht hij zich ook Divi Iulii Filius noemen. Als erfgenaam van Caesar kon Octavianus rekenen op de hulp van de zijnen, onder wie Rabirius Postumus, Matius Saserna en vooral Balbus en Oppius. De rol van Oppius en Balbus naast Caesar was nieuw en hun tijdgenoten wisten welke ongehoorde macht er in hun handen lag.
Balbus kwam uit Gades (het huidige Cadiz in Spanje). Hij presteerde in het leger briljant tegen Sertorius en daarop maakte Pompeius hem in Rome tot Romeins burger. Hij hielp bij de creatie van het eerste triumviraat en was daarna vriend van Caesar. In 56 v.Chr. begonnen de conservatieven een rechtszaak tegen Balbus, omdat hij zogenaamd illegaal het burgerschap had verkregen. In het proces verdedigde Cicero hem in de rede Pro Balbo. Oppius was een vriend van Caesar, die zijn privé aangelegenheden regelde tijdens diens afwezigheid in Rome. Volgens Suetonius zijn er velen die zeggen dat Oppius in plaats van Caesar de geschiedenis van de Spaanse, Afrikaanse en Alexandrische oorlog heeft geschreven.
Balbus was sinds 56 en Oppius sinds 54 belangenbehartiger van Caesar wanneer hij niet in Rome was. Enorme hoeveelheden geld vlogen door hun handen, zowel staatsinkomsten als Caesars privé-geldzendingen. Ik denk dat dit geld afkomstig was uit de staatskas, het privé-geld van Caesar, en vooral de buit uit veldtochten. Wat Balbus en Oppius met het geld deden, is waarschijnlijk het financieren van de veldtochten in Gallië, het betalen van de soldaten en het schenken van land aan de soldaten. Opvallend is dan echter wel dat Balbus De bello Gallico slechts eenmaal voorkomt en Oppius zelfs geen enkele keer genoemd wordt:

Bron 4: Caesar, De Bello Gallico, VIII, 1, 1.

Coactus assiduis tuis vocibus, Balbe, (…) rem difficillimam suscepi.

Gedwongen door jouw voortdurende vermaningen, Balbus, (…) heb ik een zeer moeilijke taak op me genomen.

Daarbij moeten we echter bedenken dat het niet in de aard van dit werk lag om lieden van lagere stand, zoals Balbus en Oppius, in één adem te noemen met Caesar en zijn hoger geplaatste volgelingen. Uit het nagenoeg ontbreken van Balbus en Oppius in De bello gallico mogen we dus niet afleiden dat de twee heren geen belangrijke rol hebben gespeeld in de Gallische oorlog.
Balbus en Oppius waren in Caesars afwezigheid ook gerechtigd om in staatsaangelegenheden de leiding te nemen. We kunnen bijvoorbeeld volgen hoe de beide heren in staat waren een senaatsdebat te beïnvloeden. Volgens mij was hun positie niet door de wet gelegitimeerd. Ze hadden als raadgevers van Caesar geen officiële functie in de Romeinse politiek, hun functie was meer op vriendschap en vooral geld gebaseerd. Doordat zij geen officiële functie hadden en daardoor voor het behoud van die functie niet afhankelijk waren van Caesar, hoefde hun macht niet te eindigen met de dood van Caesar. Ook na de dood van Caesar waren de heren zo machtig dat Cicero Oppius raadpleegt voordat hij voor vijf jaar naar Griekenland wil vertrekken.
Dat deze macht voortduurde tot ver in de tijd van Augustus zien we aan het theater van Balbus. Augustus wilde Rome maken tot een stad van marmer en liet zodoende vele tempels en publieke voorzieningen bouwen. Zijn vrienden spoorde hij aan hetzelfde te doen. Toen Balbus als generaal in 19 v.Chr. de Garamanten in Libië had verslagen, hield hij dus niet alleen een triomftocht, maar liet ook een nieuw theater bouwen op het Marsveld. Het theater was luxueus opgezet en erachter was een grote porticus gebouwd. Bij de grote brand in Rome in 80 werd het theater ernstig beschadigd, maar Domitianus liet het herstellen. Octavianus zag het belang van deze helpers in en Caesars heir secured almost at once the financial secretaries and political agents of the dictator, aldus Syme (1939).
Op het moment van overlijden van Caesar was Octavianus in Apollonia, waar hij zich bekwaamde in retorica en militaire vaardigheden. Zijn vrienden probeerden hem ervan te overtuigen met het leger naar Macedonië te vluchten, zijn familie zette hem er echter toe aan als privaat persoon naar Rome te komen. Octavianus voer na de dood van Caesar naar Otranto en marcheerde vandaar te voet naar Lupiae, alwaar hij contact had met de Caesarianen, onder wie Balbus. Het is waarschijnlijk dat hij op dat moment pas meer details hoorde over de dood van Caesar en zijn eigen adoptie.

Bron 5: Nicolaus van Damascus. FGrH 90 F 130, 48

Ἐκβὰς οὖν ταύτῃ πεζὸς ὥδευεν ἐπὶ Λουπίας. Καὶ ὡς ἀφίκετο, ἐντυγχάνει τοῖς εν Ῥώμῃ θαπτομένῳ Καίσαρι, οἳ ἀπήγγελλον τά τε ἄλλα καὶ ὡς ἐν ταῖς διαθήκαις ὡς υἱὸς εἴη Καίσαρι ἐγγεγραμμένος…

Nadat hij daar dus te voet was weggegaan, spoedde hij zich naar Lupia. En toen hij aankwam, trof hij hen bij de in Rome begraven Caesar, die onder andere berichtten dat hij in het testament als zoon van Caesar was opgenomen.

Zijn familie vreesde nu voor zijn leven en wilde dat hij terugkeerde. In plaats daarvan zeilde hij direct naar Brundisium en trad in de openbaarheid als Caesar. Op 18 april kwam Octavianus aan in Napels, waar hij ontvangen werd door Balbus en de andere Caesarianen. Vervolgens reisde hij door naar Rome. Daar aangekomen verscheen hij voor Gaius, de broer van Antonius die op dat moment stadspraetor was, om te melden dat hij de erfenis van Caesar accepteerde.
Nu Octavianus officieel tot strijder om de macht geworden was, was er een slimme strategie nodig om uiteindelijk te winnen van zijn enige echte concurrent, Marcus Antonius. Waar ik in mijn paper en presentatie voor het onderzoekscollege oude geschiedenis voornamelijk ben ingegaan op de reeds genoemde personen achter Octavianus, namelijk Balbus en Oppius, wil ik mij nu richten op Octavianus zelf en zijn strategie. Fergus Millar (1977) stelde dat de eisen voor goed keizerschap zijn: een goede band met het volk, militair leiderschap en een positieve relatie met de senaat. Deze stelling wil ik uitbreiden. Mijns inziens zijn een goede band met het volk, militair leiderschap en een positieve relatie met de senaat niet alleen nodig om een goed keizer te zijn en de positie van keizer te kunnen behouden, maar in het geval van Octavianus ook om deze positie te kunnen verkrijgen. Achtereenvolgens zal ik de relatie tussen Octavianus en het volk, Octavianus en het leger en Octavianus en de senaat behandelen. Aan de hand van deze eigenschappen zal ik vervolgens trachten te beoordelen of Octavianus voldeed aan de eisen voor een goed keizerschap. Waar nodig zal ik ook ingaan op de verhouding van Marcus Antonius tot dezelfde drie instanties om uiteindelijk een beeld te krijgen van de punten waarop Marcus Antonius tekortschoot ten opzichte van Octavianus, of positiever geformuleerd, de punten waarop Octavianus een voorsprong had ten opzichte van Marcus Antonius.

2. BRONNEN EN HUN BETROUWBAARHEID

De antieke bronnen die ik voor dit onderzoek gebruik zijn Cicero, Velleius Paterculus, Livius, Nicolaus van Damascus, Suetonius en Plutarchus en Appianus. Alvorens over te gaan tot het lezen, interpreteren en benutten van deze bronnen, is het zaak enige aandacht te besteden aan de betrouwbaarheid van de bronnen.
Cicero vormt een contemporaine bron: hij leefde precies in de tijd dat de moord op Caesar en de nasleep daarvan plaatsvond. In zijn brieven – met name de brieven aan Atticus – is te lezen hoe Cicero de periode na de dood van Caesar heeft ervaren. Hierdoor zou men denken dat Cicero een zeer betrouwbare bron is. Daar kan echter tegenin gebracht worden dat Cicero republikein was en dus niet neutraal was in de machtsstrijd. Mijns inziens maakt dit echter voor de betrouwbaarheid van Cicero weinig uit. Van zijn brieven heeft hij er slechts enkele geschreven met het oog op publicatie, de rest is na zijn dood gepubliceerd door Atticus dan wel Tiro. We mogen er dus van uitgaan dat Cicero in deze brieven de werkelijke stand van zaken en geen gestileerde variant naar voren heeft gebracht.
Velleius Paterculus is de tweede contemporaine bron. Onder Augustus vergezelde hij Gaius op militaire tochten, later vergezelde hij ook Tiberius naar Germanië en de Balkan. Hij schreef de Historiae Romanae. Livius, die in de tijd van Augustus leefde en ondanks zijn onafhankelijke republikeinse houding door de keizer gewaardeerd werd, schreef Ab urbe condita. Hoewel dit werk niet volledig is bewaard, bezitten we wel van alle boeken een inhoudsopgave of periocha. Een groot nadeel van deze periochae is dat zij zeer weinig informatie bevatten en daardoor geen erg interessante bron vormen.
Van Nicolaus van Damascus (64 v.Chr – 4 v.Chr.) zou men kunnen denken dat hij geeninteressante bron is, omdat hij als raadgever van Herodes I uit het oosten komt en derhalve niet over zijn eigen wereld schrijft. Hij was echter leraar van de kinderen van Marcus Antonius en Cleopatra en beschikte zodoende over ware inside information. Hij schreef een wereldgeschiedenis tot zijn tijd, een verzameling curiositeiten, een biografie van Augustus, een autobiografie en enkele geschriften over Aristotelische filosofie.
Suetonius werd rond 70 na Christus geboren in Hippo Rhegius en leefde dus na de tijd van Augustus. Bovendien staat hij erom bekend niet altijd waarheidsgetrouw te hebben geschreven. Hij gebruikte echter officiële documenten als bronnen, waartoe hij toegang had doordat hij onder Hadrianus in het staatsarchief werkte, en Bartelink karakteriseert zijn werk als een enorme feitenverzameling. Ook Suetonius kan dus met recht als bron gebruikt worden.
Appianus was een Grieks historicus. Hij leefde in de Romeinse keizertijd na de tijd van Augustus (tweede eeuw n.Chr.). Hij beschreef Rome van de aankomst van Aeneas in Italië tot de slag bij Actium in zijn Rhomanike historia. Hij staat bekend als iemand die veel zaken letterlijk, betrouwbaar en tot in de kleinste details optekende. Anderzijds is in zijn werk weinig diepgang te vinden, het is te omschrijven als eenvoudige militaire geschiedenis. Bovendien spreekt uit zijn werk spreekt echter een (te) grote bewondering voor het Romeinse imperium.
We zien dat op alle bronnen, zoals vaker met bronnen uit de oudheid, wel iets aan te merken is: Cicero was republikein, Velleius Paterculus en Livius bieden te weinig informatie, Nicolaus van Damascus komt uit het oosten, Suetonius was een roddeltante en Appianus kent te weinig diepgang. Toch meen ik dat Cicero’s brieven en de Bella civilia van Appianus de meest interessante bronnen zijn, Appianus simpelweg omdat hij de meeste informatie biedt en Cicero omdat hij de enige bron is die werkelijk schrijft over zijn eigen ervaringen tijdens de Iden van maart en daarna. Op deze bronnen zal ik dan ook hoofdzakelijk steunen.

3. HET VOLK

3.1 De invloed die het volk in een tijd van geld en wapens toch nog had

Zoals gezegd ga ik uit van de stelling dat zowel volk, leger als senaat van betekenis zijn in de machtsstrijd tussen Octavianus en Antonius. Voordat ik inga op de wijze waarop Octavianus en Antonius het volk probeerden te winnen, is het echter van belang aan te tonen in welk opzicht het volk nog van betekenis kan zijn, zodra geld en soldaten gaan overheersen.
Ook in een tijd waarin geld en soldaten overheersten was het handig om het volk aan je kant te hebben. Men kon niet nog meer oproer gebruiken, dus het volk was een middel om mensen mee onder druk te zetten. Enkele voorbeelden, waaruit de invloed van het volk duidelijk blijkt, volgen.
Ten eerste hadden de moordenaars van Caesar hadden ervoor moeten boeten dat zij bij hun daad niet het volk betrokken of geraadpleegd hadden. Het volk was, zo stelt Alföldi, zowel emotioneel als religieus aan Caesar gebonden en kwam derhalve in opstand tegen de moordenaars. Om het volk toch aan hun kant te krijgen, maakten de senatoren gebruik van spelen.
Toen de spelen van Octavianus, die ook het middel van spelen inzette, naderden, voegde hij bij wat hij van zijn vader had geërfd, zijn eigen bezit en het volk beschouwde de giften nu als van hem afkomstig.

Bron 6: Appianus, Bellum civile III, 23, 87.

ὡς δ´ ἐπί τῇ κληρονομίᾳ καὶ τὴν ἴδιον αὑτοῦ περιουσίαν (…) προύθηκεν ἐς τὴν διανέμεσιν πιπράσκεσθαι (…), ὁ δῆμος οὐκέτι παρὰ τοῦ πρώτου Καίσαρος, ἀλλὰ παρὰ τοῦδε αὐτοῦ τὴν ἐπίδοσιν λογιζόμενος εἶναι ἐκπαθῶς αὐτὸν ἠλέει καὶ ἐπῄνουν ὧδε πάσχοντα καὶ ὧδε πιλοτιμούμενον δῆλοί τε ἦσαν οὐκ ἐς πολὺ τὴν ἐς αὐτὸν Ἀντωωνίου ὕβριν ὑπεροψόμενοι.

Toen hij bij de erfenis ook zijn eigen bezit deed voor de verdeling, had het volk, menend dat de gift niet meer van de eerste Caesar, maar van hem was, medelijden met hem en prees het volk hem om wat hij had doorgemaakt en wat hij wilde zijn en het was duidelijk dat ze niet voor lang de overmoed van Antonius tegen hem zouden verdragen.

Het volk zou de beledigingen van Antonius tegen Octavianus niet lang meer tolereren, zo schrijft Appianus en daarmee geeft hij aan dat hij meent dat het volk in principe wel iets kan beginnen tegen Antonius.
Ook in de kwestie Mutina heeft het volk nog enige rol gespeeld. Antonius wilde tegen Brutus optrekken. Octavianus heeft hem hierin gesteund, omdat hij niet wilde dat Brutus, een van de moordenaars van zijn vader, de macht had over zo’n belangrijke provincie. Hoewel het volk kwaad was op Antonius, stond het toen toch even aan zijn kant, zo meldt Appianus, omdat Octavianus het hen vroeg. De volkstribunen waren omgekocht en zeiden niets en zo kon Antonius de provincies ruilen. Het volk gaf hem Gallie Cis Alpina bij wet.
Tijdens de Ludi van Brutus hieven enkelen een spreekkoor aan, waaruit de wens tot uiting kwam dat Brutus en Cassius terug mochten keren. De rest van het publiek, dat medelijden had gekregensloot zich aan bij het spreekkoor. Onder invloed van Octavianus hield het spreekkoor echter op en hierop besloten Brutus en Cassius naar respectievelijk Macedonië en Syrië te vluchten.
Een laatste voorval vond plaats toen Octavianus volkstribuun werd. De senaat vreesde dat hij deze macht tegen de moordenaars zou gaan gebruiken. Om de senaat te vleien liet Antonius besluiten dat Octavianus zijn macht niet buiten de wet mocht gebruiken. Octavianus – en dus ook het volk – was beledigd. In een volksvergadering zou Antonius echter ook tot volkstribuun gekozen worden. Het volk zou dit besluit nu zeker dwarsbomen en dus liet Antonius de vergadering annuleren.

3.2 Het paaien van het volk

Octavianus paaide echter op zijn beurt het volk ook. Hij eiste van Antonius het geld van Caesar op om het volk te kunnen betalen. Antonius stemde hierin niet toe, dus verkocht Octavianus zijn eigen bezittingen. Hij liet grote hoeveelheden geld onder het nederige volk verdelen, waardoor hij de sympathie van de massa won.
Een belangrijke vraag hierbij is hoe Octavianus deze schenkingen heeft kunnen financieren. De krijgskas van Caesar is waarschijnlijk in handen van Octavianus gevallen. Er is geen bewijs voor, maar dat er zaken naar Octavianus toegebracht zijn, wordt in ieder geval duidelijk uit het volgende fragment van Appianus.

Bron 7: Appianus, Bella Civilia III, 11, 39.

εὐθύς τε ἐς αὐτὸν ἄθρουν καὶ πανταχόθεν, ὡς <ἐς Καίσαρος> υἱόν, πλῆθος ἀνθτρώπων συνέθεον, οἳ μὲν ἐκ φιλίας Καίσαρος, οἳ δὲ ἐξελεύθεροι καὶ θεράποντες αὐτοῦ, καὶ ἕτεροι στρατιῶται σὺν αὐτοῖς, οἳ μὲν ἀποσκευὰς ἢ χρήματα φέροντες ἐς τὴν Μακεδονίαν, οἳ δὲ ἕτερα χρήματα καὶ φόρους ἐξ ἐθνῶν ἄλλων ἐς τὸ Βρεντέσιον.

Onmiddellijk kwam naar hem, als de zoon van Caesar, een reusachtige schare mensen overal vandaan, sommigen waren vrienden van Caesar, sommigen vrijgelatenen en bedienden van hem en de rest soldaten, sommigen schatten of bezittingen uit Macedonië naar Brundisium brengend, anderen de overige bezittingen en het geld van andere volken.

Daarnaast heeft Octavianus natuurlijk het nodige van Caesar persoonlijk geërfd.

Bron 8: Appianus, Bella Civilia III, 21.

Τούτων τοῖς πολλοῖς δυσξεράνας ὁ Καῖσαρ ἐς ὕβριν εἰρημένοις ἀπεξώρει, τὸν πατέρα ἀνακαλῶν θαμινὰ ἐξ ὀνόματος, καὶ τὴν οὐσίαν ἐς πρᾶσιν αὐτίκα προυτίθει πᾶσαν, ὅση κατὰ τὸν κλῆρον ἐγίγνετο αὐτοῦ, προτρέπων ἐπικουρεῖν οἱ τὸν δῆμον ἐκ τῆσδε τῆς σπουδῆς.

Octavianus, woest door de vele beledigende uitingen, ging weg, herhaaldelijk zijn vader bij de naam noemend, en onmiddellijk verkocht hij zijn hele bezit, zoveel als door de erfenis van hem was geworden, zich erop richtend het volk aan hem te binden door deze actie.

De grote hoeveelheden geld die Octavianus naar Italië bracht, vormden een groot risico. Het lijkt Alföldi niet logisch dat Octavianus dat risico als voorzichtige jongeman alleen zou nemen en hij vermoedt dan ook hierbij de hulp van Balbus. Daaraan wil ik toevoegen dat het, hoewel er hiervoor geen bewijs is, niet geheel ondenkbaar is, dat ook Balbus en Oppius als rijke bankiers het nodige aan de campagne van Octavianus hebben bijgedragen.

3.3 Karakter en verleden van de beide strijders

We zien dat Marcus Antonius en Octavianus beide in gelijke mate hun best deden om de legioenen voor zich te winnen. Waarom bleef nu echter het volk aan de kant van Octavianus en niet aan die van Marcus Antonius? Octavianus kenmerkte zich door vriendelijkheid en voorzichtigheid in publieke uitlatingen.

Bron 9: Cicero, Brieven aan Atticus XIV, 12, 2.

nobiscum hic perhonorifice et peramice Octavius.

Hier bij ons is de zeer respectvolle en vriendelijke Octavius.

Bovendien was hij nog jong en had hij in zijn leven nog niet de kans gehad veel misstappen te begaan om zich de woede van het volk op de hals te halen. In het geval van Antonius lag dit anders.
Marcus Antonius was de oudste zoon van Marcus Antonius Creticus en Julia, de jongste zuster van Julius Caesar. Zijn vader overleed vroeg en liet hem niets dan schulden na. Zijn stiefvader Publius Lentulus Sura werd in 63 door Cicero als medeplichtig aan de samenzwering van Catilina terechtgesteld. Zijn jeugd was dus moeilijk en uit geldgebrek ging hij zelfs een verhouding aan met Gaius Scribonius Curio.
In 57 begaf hij zich naar het Oosten, waar de proconsul Aulus Gabinius hem tot zijn ruiteraanvoerder benoemde. Tijdens zijn veldtochten in Palestina en Egypte bleek zijn militair talent. In 54 trad Antonius in Gallië in dienst van Julius Caesar en begon zo zijn politieke loopbaan: in 52 werd hij quaestor, in 49 volkstribuun. Bij het uitbreken van de burgeroorlog sloot hij zich in Ravenna bij de troepen van Caesar aan. Tijdens Caesars Spaanse veldtocht kreeg Antonius in Italië het opperbevel als propraetor. In 48 volgde hij Caesar naar Griekenland en voerde met veel moed en overleg de troepen vanuit Brundisium naar hem toe; in de slag bij Pharsalus commandeerde hij de linkervleugel.
In Italië teruggekeerd als magister equitum, geraakte Antonius door zijn wangedrag in onmin met Caesar. Zo kocht hij tegen het bevel van de dictator de verbeurd verklaarde goederen van Pompeius zonder te betalen en ging hij zich eerst te buiten met de danseres Cytheris en vervolgens met Fulvia.

Bron 10: Cassius Dio XLV, 6, 2.

τόν τε Ἀντώνιον διά τε τὴν ἱππαρχίαν καὶ διὰ τὴν τῶν σφαγέων οὐ τιμωρίαν μισοῦντας αἰσθόμενος

En begrijpend dat zij Antonius haatten door zijn gedrag als magister equitum en door het niet wreden van de moordenaars…

In 45 verzoende Antonius zich met Caesaren in 44 werd hij benoemd tot consul. Na de dood van Caesar ging Antonius meteen weer in de fout: met behulp van Faberius, Caesars secretaris, vervalste Antonius het testament van de dictator en creëerde wetten om zichzelf en zijn vrienden te verrijken. Verder heeft hij een niet nader gedefinieerde schat uit de tempel van Ops gestolen (zoals Syme zegt: apparently some kind of fund distinct from the official treasury) en de staatskas geplunderd:

Bron 11: Cicero, Ad Atticum XIV, 14, 5.

Rapina scribis ad Opis fieri

Jij schrijft dat er roof gepleegd is bij de tempel van Ops

Bron 12: Cicero, Philippica II, 14, 35.

Qui maximo te aere alieno ad aedem Opis liberavisti.

Die je van een zeer grote schuld hebt bevrijd bij de Ops tempel.

Bron 13: Cicero, Philippica IV, 6, 14.

Aerarium vestrum exhausit

Hij heeft jullie schatkist geplunderd.

Deze beschuldigingen komen eveneens terug bij Appianus. Appianus schrijft verder over Amatius, verwant van zowel Marius als Caesar, die Brutus en Cassius wil aanvallen. Antonius besluit deze Amatius zonder proces ter dood te veroordelen. De senatoren waren perplex, maar lieten het erbij, omdat ze zagen dat de actie van Antonius voor Brutus en Cassius nodig was.

Bron 14: Appianus, Bella civilia III, 3.

οἱ δὲ τοῦ Ἀματίου στασιῶται καὶ ὁ ἄλλος δῆμος ἐπ´ ἐκείνοις πόθῳ τε τοῦ Ἀματίου καὶ ἀγανακτήσει τοῦ γεγονότος, ὅτι μάλιστα αὐτὸ ὁ Ἀντώνιος ἐπεπράχει ὑπὸ τοῦ δήμου τιμώμενος, οὐκ ἠξίουν σφῶν καταφρονεῖν. τὴν ἀγορὰν οὖν καταλαβόντες ἐβόων καὶ τὸν Ἀντώνιον ἐβλασφήμουν καὶ τὰς ἀρχὰς ἐκέλευον ἀντὶ Ἀματίου τὸν βωμὸν ἐκθεοῦν καὶ θύειν ἐπ´ αὐτοῦ Καίσαρι πρώτους.

De volgelingen van Amatius en de rest van het volk besloot hierop, uit verlangen naar Amatius en verontwaardiging over de daad en omdat bovendien Antonius het gedaad had, die door het volk geëerd was, zich niet zo te laten beledigen. Nadat ze het forum hadden bezet, begonnen ze te schreeuwen en scholden op antonius en bevalen dat de magistraten voor Amatius een altaar zouden oprichten en als eerste daarop aan Caesar te offeren.

Antonius stuurde soldaten om het volk van het forum te verwijderen. De rust werd hersteld, maar het volk haatte Antonius nu. Een ander voorval vindt plaats bij de spelen die Octavianus voor Caesar organiseert. Octavianus wil dat de troon en krans van Caesar bij de spelen aanwezig zijn. Antoniud verbiedt dit.

Bron 15: App bel Civ III, 28.

τότε δὴ καὶ μάλιστα μῖσος ἤδη σαφὲς ἐκ πάντων ἐς τὸν Ἀντώνιον ἐγίγνετο, ὡς οὐκ ἐς τὸν νῦν Καίσαρα φιλονικοῦντα μᾶλλον ἢ ἐς τὸν πρότερον ὑβρίζοντα ἀχαρίστως.

Toen werd de haad van allen jegens Antonius al zeer goed zichtbaar, omdat hij niet wedijverde met de huidige Caesar meer dan dat hij hubris pleegde jegens de vorige Caesar.

Toen Octavianus zich omringd door de massa naar de spelen begaf, waren er volgens Appianus overal kreten tegen Antonius te horen. Het volk zag Octavianus en Caesar als een persoon, de hubris tegen Octavianus zagen zijn dan ook tegelijk als hubris tegen Caesar.
Jaren later, tijdens het tweede triumviraat, had Antonius zijn losbandige gedrag nog steeds niet afgeleerd. Toen Antonius, Octavianus en Lepidus het land verdeelden aan het begin van het tweede triumviraat, kreeg Antonius het oosten. Hij begaf zich naar Athene, vanwaar hij de toestand in Griekenland regelde en gaf zich over aan een leven van plezier. Vervolgens ging hij naar Efese, dat hem begroette als een nieuwe Dionysus. Willekeurig strafte en beloonde hij steden en vorsten. Vervolgens begon hij een oorlog tegen de Parthen. Eerst reorganiseerde hij de situatie in het Oosten: enkele koningen werden afgezet en zelfs terechtgesteld; provincies werden weggeschonken aan Cleopatra en haar kinderen. De veldtocht werd een mislukking en Antonius trok zich terug bij Cleopatra en haar kinderen, waar hij een losbandig leidde.

3.4 Octavianus als Filius divi Iulii

Ondanks dit had Antonius als meest naaste volgeling van Caesar waarschijnlijk toch nog wel het volk aan zijn kant kunnen krijgen, als er niet twee zeer belangrijke zaken in zijn nadeel hadden gewerkt. Ten eerste had hij, die als consul de loop der gebeurtenissen na de Iden van maart had kunnen bepalen, nagelaten de moordenaars te wreken, zoals blijkt uit het begin van boek III van Appianus, waarin Octavianus kritiek uit op Antonius. Niet alleen had hij de moordenaars niet gewroken, hij was zelfs de leider van de senaat geweest toen werd besloten dat de moordenaars niet vervolgd zouden worden, hij had er op die manier voor gezorgd dat zij konden wegvluchten en zich konden bedruipen als gouverneurs van provincies die Caesar en hijzelf hen toegewezen hadden.
De tweede zaak die in het nadeel van Antonius werkte, is de volgende: volgens Appianus is Antonius op een gegeven moment geïrriteerd omdat hij door een jonger persoon, namelijk Octavianus, zo aanmatigend wordt toegesproken. Aan zijn precieze reactie ga ik hier voorbij, daar deze door Appianus is verzonnen. Eén zin uit de reactie is echter zeker het noemen waard.

Bron 16: Appianus, Bella Civilia III, 19.

Ἐνσημαίνῃ (…) καὶ ἄχθεστθαι μὴ τυχόντα τῶν διαθηκῶν τῶν Καίσαρος.

Jij wijst erop dat ik boos ben dat ik niet voorkom in het testament van Caesar.

Als het, zoals Appianus hier bij monde van Octavianus en Antonius beweert, werkelijk zo is dat Antonius niet voorkwam in het testament van Caesar, geeft dit aan dat Antonius voor Caesar aanzienlijk minder belangrijk is geweest dan Octavianus. Ook het volk zal dit begrepen hebben. Octavianus was dan wel jong, ziekelijk en militair minder bekwaam dan Antonius, hij was wel de adoptiefzoon van Caesar, zoon van een god. Maar niet alleen was Octavianus de zoon van Caesar, die in tegenstelling tot Antonius wel in diens testament genoemd werd. Octavianus was meer dan dat: hij was de zoon van een god. Dit goddelijke werd voor het volk bevestigd door een komeet die verscheen bij de ludi victoriae caesaris.

Bron 17: Suetonius I, 88.
Periit sexto et quinquagensimo aetatis anno atque in deorum numerum relatus est, non ore modo decernentium, sed et persuasione uolgi. Siquidem ludis, quos primos consecrato ei heres Augustus edebat, stella crinita per septem continuos dies fulsit exoriens circa undecimam horam, creditumque est animam esse Caesaris in caelum recepti; et hac de causa simulacro eius in uertice additur stella.
Hij overleed in het zesenvijftigste jaar van zijn leeftijd en hij is gerekend tot de goden, niet alleen door de mond van hen die het besloten, maar ook door de overtuiging van het volk. Want bij de spelen, die zijn erfgenaam Augustus als eerste voor hem hield na zijn apotheose, straalde een komeet zeven opeenvolgende dagen, opgekomen rond het elfde uur en men geloofde dat het de geest was van Caesar die in de hemel was ontvangen. En daarom is op de top van zijn graf een ster toegevoegd.
In dit hoofdstuk is beschreven op welke manier Octavianus voldeed aan de eerste door Millar genoemde vereiste voor goed keizerschap. Zowel door schenkingen als door zijn karakter en door zijn afkomst als filius Divi Iulii was Octavianus geliefd bij het volk.

4. HET LEGER

4.1 De macht van het leger

Het beroepsleger van mensen zonder bezittingen, zoals dat ontstaan is ten tijde van Marius, is het product van onbehoorlijk mensengebruik door de hogere maatschappelijke klassen. Daardoor voelden soldaten zich minder verbonden met het Romeinse rijk, dan met hun veldheer. De soldaat werd gecommandeerd door de veldheer en verwachtte van hem een beloning. De senaat was in die zin machteloos geworden
De soldaten waren afkomstig van het arme platteland en hadden niets, behalve hun egoïsme en de staat. Eigenbelang, kameraadschap en discipline en trouw aan de generaal waren voor de soldaten belangrijker dan de stad Rome. Het leger bestond uit verarmde boeren die na hun dienst weer terugwilden naar het platteland en dus door ‘landhonger’ gedreven zijn’.
De soldaten en het beroepsleger werden zo een politiek wapen, een wapen dat men in menig burgeroorlog gebruikte. Hoe het leger druk wist te oefenen zien we in het volgende geval. Na de moord op Caesar bezette Lepidus, magister equitum van Caesar, het Marsveld en Caesars soldaten stroomden de stad in. Veteranen drongen de Curia binnen en eisen het beloofde geld en de beloofde landerijen. De moordenaars van Caesar zegden meteen toe.
Ook aan Octavianus stelde het leger bij herhaling eisen. Als Octavianus zich tegen Antonius met de senaat verbindt, wil zijn leger niet dienen onder Brutus. Na de slag bij Mutina zijn het de centurio’s die voor Octavianus naar Rome gaan om voor hem het consulaat op te eisen. Toen Antonius, Octavianus en Lepidus het tweede driemanschap sloten, wilden de troepen dat het pact bezegeld werd door de verbintenis van Octavianus met de stiefdochter van Antonius en in 41 willen de soldaten de burgeroorlog tussen Antonius en Octavianus verhinderen.

Bron 18: Cassius Dio XLVI, 56, 2

κἀν τούτῳ οἱ τοῦ Ἀντωνίου στρατιῶται τὴν θυγατέρα τὴν τῆς Φουλουίας τῆς γυναικὸς αὐτοῦ,ἣν ἐκ τοῦ Κλωδίου εἶχε, τῷ Καίσαρι καίτοι ἑτέραν ἠγγυημένῳ προεξένησαν

Bovendien prezen de soldaten van Antonius de dochter van Fulvia, zijn vrouw, die zij van Clodius had, bij Caesar aan, hoewel hij al met een ander verloofd was.

Bron 19: Appianus, Bellum civile V, 23, 92.

Δύο δὲ στρατοῦ τέλη τὰ ἐς Ἀγκῶνα πόλιν ᾠκισμένα, Καίσαρί τε ὄντα πατρῷα καὶ ἐστρατευμένα Ἀντωνίῳ, τῆς τε ἰδίας παρασκευῆς αὐτῶν πυθόμενοι καὶ τὴν εἰς ἑκάτερον σφῶν οἰκειότητα αἰδούμενοι, πρέσβεις ἔπεμψαν ἐς Ῥώμην, οἳ ἔμελλον ἑκατέρων ἐς διαλύσεις δεήσεσθαι.

Twee legioenen van het leger, die waren gekoloniseerd in de stad Ancona en die hadden gediend onder de oude Caesar en onder Antonius, zonden, toen ze vernamen van de eigen voorbereiding van hen allebei en bewogen werden door vriendschap voor hen allebei, gezanten naar Rome, die van plan waren hen allebei tot overeenstemming te brengen.

Het was dus belangrijk om het leger aan je kant te hebben. Zowel Antonius als Octavianus getroostten zich daarom veel moeite de centurio’s te vleien, zoals ook Caesar had gedaan en werden zodoende populair bij de legioenen en de centurio’s. “Bei den Soldaten besass er eine ungewöhnliche Popularität infolge seiner Tüchtigkeit, natürlichen Gutmütigkeit und Freigebigkeit.” Zo staat er geschreven in de Pauly.

4.2 De strijd om de legioenen

Antonius behandelde de centurio’s als zijn persoonlijke raad van advies en bezorgde hen binnen het gerechtshof een plaats in het derde Dekurie. Naast de centurio’s, stortten de heren zich vooral op de manschappen. Antonius vertrok naar Brundisium om de legers daar aan zijn kant te krijgen. Ondertussen ging Octavianus naar Campania, waar hij 10.000 mannen aan zijn kant kreeg.

Bron 20: Appianus, bella civilia III, 40.

οἱ δὲ ἐν ἄστει τὸν Ἀντώνιον δεδιότες μετὰ στρατιᾶς ἐπανιόντα, ὡς ἐπύθοντο καὶ τὸν Καίσαρα μεθ´ ἑτέρας προσιέναι, οἱ μὲν διπλασίως ἐδεδοίκεσαν, οἱ δ´ ὡς χρησόμενοι κατ´ Ἀντωνίου Καίσαρι ἠσμένιζον.

Van de mensen in de stad, die Antonius vreesden die met legers op hen afkwam, waren sommigen, toen ze vernamen dat ook Caesar met andere legers naderde, dubbel ongerust, maar anderen ware opgelucht omdat ze Caesar tegen Antonius konden gebruiken.

Hier zien we dat de dreiging van het leger groot was. Mensen waren bang als iemand met een leger tegen de stad optrok. Canutius sprak het volk en de soldaten toe en probeerde hen te overtuigen zich aan de kant van Octavianus te scharen. Dit pakte niet goed uit. Van de 10.000 soldaten die Octavianus aanvankelijk aan zijn kant had gehad, bleven er slechts 1000 tot 3000 bij hem.
Octavianus ging daarop naar Ravenna om nieuwe soldaten te werven. Ondertussen hadden vier van de vijf Macedonische legioenen zich bij Antonius gevoegd. Antonius pakte zijn leger echter hard aan en stelde uit wantrouwen de militaire tribunen terecht in Zuid-Italië. Vervolgens vertrok hij naar Rome om vandaar door te reizen naar Arminium. Ondertussen liep echter het Martische legioen over naar Octavianus. Vervolgens liep ook het vierde legioen over naar Octavianus. In plaats van naar Arminium ging Antonius nu naar Alba, om de deserteurs terug te halen. De senaat, de ridders en de invloedrijkere plebeërs schaarden zich nu aan de zijde van Antonius

Bron 21: Appianus, Bella Civilia III, 46.

οἱ καὶ καταλαβόντες αὐτὸν ὁρκοῦντα τοὺς παρόντας οἱ στρατιώτας καὶ τοὺς ἐκ τῶν πάλαι στρατευσαμένων συνδραμόντας (πολὺ γὰρ καὶ τοῦτο ἦν) συνώμνυον ἑκόντες οὐκ ἐκλείψειν τὴν ἐς Ἀντώνιον εὔνοιάν τε καὶ πίστιν, ὡς ἀπορῆσαι, τίνες ἦσαν, οἳ πρὸ ὀλίγου παρὰ τὴν Καίσαρος ἐκκλησίαν τὸν Ἀντώνιον ἐβλασφήμουν.

Zij die aankwamen bij hem, toen hij de bij hem aanwezige soldaten en degenen van hen die vroeger gevochten hadden die erbij waren gekomen beëdigde (dat waren er veel), zwoeren graag mee niet de goede gezindheid en trouw jegens Antonius te zullen verlaten, zodat je je kon afvragen, wie het waren, die weinig tevoren bij de ecclesia van Caesar tegen hem hadden geageerd.

Antonius zag dit als teken om naar Arminium te vertrekken met vier goedgetrainde legioenen. Hij verwachtte dat Lepidus in Spanje met twee legioenen, Asinius Pollio met twee en Plancus met drie zijn kant zouden kiezen. Op dat moment kozen de senatoren echter weer voor Octavianus, omdat de senaat bang was voor Antonius en geen eigen leger had.
Uit de snelle wisseling van partijen kunnen we misschien afleiden dat iemand populair was al naar gelang zijn leger groot was. Een aanvoerder versmolt dus in zekere mate met zijn leger. Dit zien we ook in een brief van Octavianus naar Plarasa/ Aphrodisias, die geschreven is in de periode van het triumviraat.

Bron 22: Aphrodisias document 6.

ὑγιαίνω δὲ καὶ αὐτὸς μετὰ τοῦ στρατεύματος

Met mij gaat het goed samen met mijn leger.

In deze zelfde bron zien we tevens een deel van de beantwoording van de hoofdvraag: Octavianus had het leger aan zijn kant, met hen ging het goed. Ook op dit punt voldeed hij dus aan de door Millar geformuleerde eisen voor goed keizerschap.
5. DE SENAAT EN CICERO

5.1 De senaat

De houding van de senaat na de moord op Caesar is vanaf het begin tweeslachtig geweest. Deze tweeslachtigheid werd in het begin al veroorzaakt door een verschijnsel dat bij Appianus waarneembaar is in een gefingeerde rede van Marcus Antonius tegen de senaat.

Bron 23: Appianus, bella civilia II, 128.

“τοῖς αἰτοῦσι περὶ Καίσαρος ψῆφον ἀνάγκη τάδε προειδέναι, ὅτι ἄρχοντος μὲν αὐτοῦ καὶ αἱρετοῦ προστάτου γενομένου τὰ πεπραγμένα καὶ δεδογμένα πάντα κύρια μενεῖ, δόξαντος δ´ ἐπί βίᾳ τυραννῆσαι τό τε σῶμα ἄταφον τῆς πατρίδος ὑπερροφίζεται καὶ τὰ πεπραγμένα πάντα ἀκυροῦται.(…)
αἰ δὴ ταῦτα ὑμεῖς ἑκόντες ἀποθήσεσθε (ἐστὲ γὰρ ὑμεῖς τοῦδε μάλιστα κύριοι), τόδε πρῶτον ὑμᾶς ἀξιῶ κρῖναι.”

Voor hen die een stemming vragen over Caesar is het nodig deze dingen te weten, dat als hij een magistraat was en gekozen, al zijn daden en besluiten van kracht blijven, maar dat als besloten wordt dat hij met geweld de macht heeft verkregen, zijn lichaam onbegraven uit het vaderland gezet moet worden en al zijn daden ongedaan gemaakt moeten worden. (vervolgens wijst Antonius hen op de ambten die zij allen onder Caesar hebben vervuld, of de ambten waarvoor zij reeds zijn aangewezen onder Caesar) Als jullie van deze dingen graag afstand doen (want jullie zijn het die hierover beslissen), vraag ik jullie eerst hierover te beslissen.

Hoewel deze rede niet werkelijk zo gehouden is, zal de inhoud van de rede ongetwijfeld door de hoofden van de senatoren gegaan zijn. Als zij Caesar als een tiran zouden beschouwen, werden zijn daden ongedaan gemaakt, en zouden de senatoren zelf de ambten die Caesar hen had toegewezen kwijtraken.
Naast eigenbelang, speelde bij de senaat ook angst voor zowel het volk als het leger. Om de last en de oorlogen die zouden ontstaan werd besloten dat de moordenaars niet gestraft zouden worden, maar de daden en besluiten van Caesar zouden blijven gelden. Bovendien zou Caesars testament publiekelijk worden voorgelezen en zou hij een staatsbegrafenis krijgen. Meteen nadat deze besluiten door de senaat waren genomen, begonnen enkele senatoren echter alweer te konkelen uit angst voor de oproer die zou ontstaan wanneer Caesars testament zou worden voorgelezen en zijn lichaam aan het publiek getoond zou worden.

Bron 24: Appianus, Bella civilia II, 135.

Λεύκιον δὲ Πείσωνα , ὅτῳ τὰς διαθήκας ὁ Καὶσαρ παρετίθετο, τοῦτον ἤδη τὸν τρόπον τῆς βουλῆς διαλελυμένης τινὲς περιστάντες παρεκάλουν μήτε τὰς διαθήκας προφέρειν μήτε θάπτειν τὸ σῶμα φανερῶς, μή τι νεώτερον ἕτερον ἐκ τούτων γένοιτο.

Aan Lucius Piso, aan wie Caesar zijn testament had toevertrouwd, droegen enkele omstanders, nadat de vergadering op deze manier was ontbonden, op niet het testament openbaar te maken en niet openlijk het lichaam te begraven, opdat hieruit geen nieuwe oproer zou ontstaan.

Vervolgens riep Piso dat de senatoren nu zelf ook ondemocratisch en als tirannen handelden. Het testament van Caesar werd dus toch voorgelezen en wel door Antonius. De gevreesde oproer onstond – mede door het handelen van Antonius – inderdaad.

Bron 25: Appianus, Bella civilia II, 146.

Εὐφορώτατα δὲ ἐς τὸ πάθος ἐκφερόμενος τὸ σῶμα τοῦ Καίσαρος ἐγύμνου καὶ τὴν ἐσθῆτα ἐπὶ κοντοῦ φερομένην ἀνέσειε, λελακισμένην ὑπὸ τῶν πληγῶν καὶ πεφυρμένην αἵματι αὐτοκράτορος ἐφ´ οἷς ὁ δῆμος οἷα χορὸς αὐτῷ πενθιμώτατα συνωδύρετο καὶ ἐκ τοῦ πάθους αὖθις ὀργῆς ἐνεπίμπλατο.

Gemakkelijk tot pathos gebracht, ontblootte hij het lichaam van Caesar en zijn toga bewoog hij op zij met zijn speer, bezoedeld door de slagen en roodgekleurd door het bloed van de dictator, waarop het volk als een koor in een toneelstuk, hem zeer dramatisch beweende en door pathos werd het volk weer gevuld met woede.

Dit nam de senaat Antonius niet in dank af. Ook zijn machtsvertoon viel verkeerd. Ik denk dat senaat daarom Octavianus voornamelijk steunde als wapen tegen Antonius. Toen duidelijk was geworden dat Octavianus en Antonius de hoofdrol speelden in de strijd om de macht, leek er voor de senaat niets anders op te zitten dan de kant van één van de twee te kiezen. De senaat had door de nieuwe structuur van het leger immers geen wapens of eigen leger meer. Het despotisme van Antonius en de angst van de senaat voor wat er zou gebeuren als hij definitief de macht zou grijpen, moet te groot geweest zijn en daardoor kozen de senatoren uiteindelijk voor Octavianus. Er is één man die bij het nemen van deze beslissing een bijzondere rol gespeeld heeft: Cicero.

5.2 Cicero

Balbus en Oppius startten meteen na de dood van Caesar een offensief om Cicero naar hun kant over te halen. Men kan zich afvragen waarom juist deze caesarianen nodig waren om een man als Cicero te overreden. In het korte tijdsbestek van deze opdracht, is er geen tijd alle brieven van Cicero uit te spitten. Wel kan ik echter melden dat Oppius en Balbus in meer dan 50 brieven van Cicero voorkomen, daterend uit zowel de tijd voor de dood van Caesar als die na de dood van Caesar. Dit zou erop kunnen wijzen dat Oppius en Balbus toen Caesar nog leefde ook hebben geprobeerd de nodige invloed op Cicero uit te oefenen. Zeker is in ieder geval dat Cicero hen beide al kende.
Duidelijk is dat ook Pompeius al gecharmeerd was geweest van Balbus: hij maakte hem immers tot Romeins burger. Cicero was een echte Pompeiaan, dus de houding van Pompeius jegens Balbus, zal ook van enige invloed op Cicero geweest zijn. Dat Cicero Balbus niet slecht gezind was, blijkt bovendien uit het feit dat hij Balbus heeft willen verdedigen in de eerdergenoemde rede Pro Balbo. Juist daarom lijkt het logisch dat Balbus en Oppius de tussenpersonen worden tussen Octavianus en Cicero.
Wat Oppius na de dood van Caesar nastreefde, zien we echter in een brief van Cicero aan Atticus. De prijs die Cicero voor zijn medewerking wil, is de verzoening van Octavianus met de moordenaars van Caesar. En die prijs wordt hem verzekerd.

Bron 26: Cicero, Brieven aan Atticus, XVI, 15, 3.

redeo ad rem publicam. multa me hercule a te saepe in πολιτικῷ genere prudenter sed his litteris nihil prudentius: ‘quamquam enim postea in praesentia belle iste puer retundit Antonium, tamen exitum exspectare debemus.’ at quae contio! nam est missa mihi. iurat ita sibi parentis honores consequi liceat et simul dextram intendit ad statuam. Μηδὲ σωθείην ὑπό γε τουιούτου!
sed, ut scribis, certissimum esse video discrimen Cascae nostri tribunatum, de quo quidem ipso dixi Oppio, cum me hortaretur ut adulescentem totamque causam manumque veteranorum complecterer, me nullo modo facere posse, mihi exploratum esset eum non modo non inimicum tyrannoctonis verum etiam amicum fore.
cum ille diceret ita futurum, ‘quid igitur festinamus?’ inquam. ‘illi enim mea opera ante Kal. Ian. nihil opus est, nos autem eius voluntatem ante Idus Decembr. perspiciemus in Casca.’ valde mihi adsensus est.

Ik keer terug naar de politiek. Veel wijsheden zijn bij Hercules van jou afkomstig in de politieke soort, maar niets wijzer dan deze brief: Hoewel immers die jongen voor het moment voldoende Antonius beknot, moeten wij toch de afloop afwachten. Maar wat een toespraak! Want zij is naar mij toe gezonden. Hij zweert dat het hem past de eer van zijn vader voor zich te verwerven en tegelijkertijd legt hij zijn rechterhand op het beeld. Hierdoor geen redding!
Maar, zoals je zegt, zie ik dat de duidelijkste test het tribunaat van onze Casca is, over hetwelk ik tegen Oppius zelf heb gezegd, toen hij mij aanspoorde om de jongeman en de hele zaak en de schare van veteranen te omarmen, dat ik dit op geen enkele manier kon doen, als mij niet verzekerd was dat hij niet alleen geen vijand voor de tyrannendoders zou zijn, maar zelfs een ware vriend.
Toen hij zei dat dit zou gebeuren, zei ik “wat haasten we ons dan? Hij heeft mijn hulp immers niet nodig voor Januari, wij zullen echter zijn gezindheid voor December zien wat betreft Casca.” Hij was het helemaal met mij eens.

Na zijn consulaat en zijn ballingschap was Cicero in Rome slechts een privaat- persoon zonder potestas of imperium. In de senaat was hij gezeten bij de consulares. Zo kon hij de vergaderingen bijwonen, het woord nemen als de voorzittende magistraat het hem toestond en stemmen voor of tegen de voorstellen op de dagorde. Hij behield echter een grote invloed door zijn welsprekendheid, zijn intellectuele en morele waarde en zijn politiek verleden.
Dankzij de welwillendheid van Octavianus en zijn eerbied voor de senaat is Cicero gunstig gestemd.

Bron 27: Cicero, brieven aan Atticus, XIV.

verebar ne periculosa nostris tyrannoctonis esset.
nunc prorsus adsentior tuis litteris speroque meliora. quamquam istos ferre non possum qui, dum se pacem velle simulant, acta nefaria defendunt. sed non possunt omnia simul. incipit res melius ire quam putaram.

Ik vreesde dat het gevaarlijk zou zijn voor onze tyrannendoders , maar nu ben ik het helemaal eens met jouw brief en hoop ik op betere tijden. Hoewel ik hem niet kan verdragen die, terwijl ze veinzen dat ze vrede willen, schandelijke daden verdedigen. Maar niet alles kan tegelijk. De zaken beginnen beter te gaan dan ik meende.

Reeds op 10 juni is het politieke gewicht van Caesars erfgenaam zo gestegen dat Cicero hem hoopt te gebruiken tegen Antonius. Misschien was het naïef om te denken dat Octavianus de moordenaars met rust zou laten. Anderzijds was er sprake van een lange briefwisseling tussen Oppius, Balbus en Cicero. Door deze briefwisseling had Cicero misschien wel vertrouwen gekregen in Oppius en Balbus. Toen hem derhalve verzekerd werd dat Octavianus de moordenaars niets in de weg zou leggen en zelfs hun vriend zou zijn, heeft hij hierop misschien vertrouwd. In veel brieven van Cicero komt echter kleine twijfel terug. Het kan ook zo zijn dat Cicero zowel Octavianus als Antonius niet vertrouwde, maar dat hij Antonius nog erger wantrouwde.
Dit spel gaat door en Cicero ontwikkelt in deze periode een enorme arbeidskracht. Zijn correspondentie strekt zich over het gehele imperium uit. Brutus en Cassius, de gouverneurs van Spanje, Gallië en Africa tracht hij te winnen, in de senaat volgt de ene richtinggevende rede op de andere en met talloze mensen overlegt hij.
Hoewel hij enthousiast geweest was over de moord op Caesar, wilde hij aanvankelijk niet de leiding zou nemen in de strijd tegen Antonius. Hij geloofde dat het democratisch regime zich vanzelf zou herstellen. Na de moord op Caesar verliet hij Rome. Maar een na een afwezigheid van vier maanden bleek hij onmisbaar. De aankondiging van zijn aanstaande vertrek naar Griekenland riep luid protest op. Daarvan op de hoogte gebracht door Atticus keerde Cicero op 31 augustus naar Rome terug. Hij werd er triomfantelijk ontvangen door zijn medeburgers. De volgende dag, 1 september, vergaderde de Senaat. Op de dagorde van de senaatszitting van 1 september liet Antonius hij het voorstel plaatsen om bij alle supplicationes een dag te voegen ter ere van Caesar. Dit voorstel was bijzonder gewichtig: supplicationes richten zich alleen tot de goden. Tegelijkertijd ging het voorstel dus ook om het erkennen van Caesar als god.
Antonius wilde hiermee zijn populariteit bij de soldaten van Caesar vergroten, de aanhangers van Caesar opsporen in de senaat en Cicero laten buigen voor zijn wil. Toen Cicero dus een convocatie ontving voor de senaatszitting, maakte hij middels een brief zijn afwezigheid kenbaar. Meteen de volgende dag, toen Antonius afwezig en Dolabella voorzitter was, antwoordde Cicero in de 1ste Philippica. Cicero neemt de stelling in, dat hij met Antonius wil samenwerken in het belang van de Staat, doch een eventueel conflict niet zal schuwen. Anders dan deze stelling innemen kon Cicero eigenlijk niet: enerzijds haatte hij Antonius en diens despotisme, anderzijds zou het niet verstandig zijn de strijd aan te binden tegen een consul in functie die beschikte over legioenen en over een wacht van 6.000 man in Rome. Antonius beantwoordt Cicero´s rede met een uitvoerige beschouwing waaruit de vijandschap tussen de twee heren bleek. Na zijn redevoering moest Cicero die daardoor openlijk met Antonius brak zich terugtrekken in zijn villa in Puteoli.
Op 1 november komt bij Cicero een brief aan waarin Octavianus hem rechtstreeks om dekking vraagt om oorlog te voeren tegen Marcus Antonius.

Bron 28: Cicero, Brieven aan Atticus XVI, 8, 2.

Kal. vesperi litterae mihi ab Octaviano. Magna molitur. veteranos qui Casilini et Calatiae perduxit ad suam sententiam. nec mirum, quingenos denarios dat. cogitat reliquas colonias obire. plane hoc spectat ut se duce bellum geratur cum Antonio. itaque video paucis diebus nos in armis fore. quem autem sequamur? vide nomen, vide aetatem. atque a me postulat primum ut clam conloquatur mecum vel Capuae vel non longe a Capua. puerile hoc quidem, si id putat clam fieri posse. docui per litteras id nec opus esse nec fieri posse.
…. quid quaeris? ducem se profitetur nec nos sibi putat deesse oportere. equidem suasi ut Romam pergeret. videtur enim mihi et plebeculam urbanam et, si fidem fecerit, etiam bonos viros secum habiturus. O Brute, ubi es? quantam εὐκαιρίαν amittis!

Op de avond van de Kalendas, bereikte mij een brief van Octavianus. Hij streeft grote dingen na. De veteranen die in Casilinum en Calatia zijn heeft hij overtuigd van zijn mening. Geen wonder, hij geeft hen 500 denariën. Hij denkt erover de overige koloniën te overwinnen. Duidelijk beoogt hij dat met hem als aanvoerder oorlog wordt gevoerd met Antonius. Daarom meen ik dat wij over enkele dagen onder de wapenen zullen zijn. Wie moeten wij echter volgen. Kijk eens naar zijn naam, kijk eens naar zijn leeftijd. Ook vraagt hij van mij eerst dat hij heimelijk met mij overlegt, hetzij in Capua, hetzij dichtbij Capua. Kindelijk, als hij meent dat dit in het geniep kan gebeuren. Ik heb hem in een brief laten weten dat dit niet nodig is en niet kan gebeuren.
… Kortom, hij profileert zich als leider en meent dat wij hem niet moeten ontbreken. Ik heb hem overtuigd dat hij naar Rome gaat. Ik denk immers dat hij en het stadse volk, en – als hij vertouwen zal wekken, ook de goede mannen aan zijn kant zal hebben. O Brutus, waar ben je? Welke gelegenheid laat je liggen?

In december, toen de nieuwe magistraten in functie waren getreden, keerde Cicero terug en zette de strijd tegen Antonius voort. Te toevallig is het dat er op 1 januari in de senaat een debat geopend werd, waaruit later het imperium voor Octavianus volgde om Antonius te mogen aanvallen. Het lijkt mij zeer waarschijnlijk dat Cicero hier iets mee te maken heeft gehad: hij was het die de correspondentie voerde – al dan niet via Balbus en Oppius – met Octavianus, hij was het bij wie ook deze brief was aangekomen, hij was het die door middel van gesprekken, brieven en niet te vergeten Philippica’s heel de senatoriale wereld probeerde te bewerken – en daar kennelijk in geslaagd is.

6. TOT SLOT

De gebeurtenissen rond Mutina laaiden het vuur op, zowel tussen de moordenaars en de caesarianen als tussen Octavianus en Antonius.
Decimus Junius Brutus was een van de aanhangers (en moordenaars) van Caesar. Caesar had hem benoemd tot gouverneur van Gallië Cis Alpina en de benoeming was bevestigd door de senaat. De senaat had Antonius, die consul was in 44, de provincie Macedonië toegewezen. Antonius verruilde Macedonië echter in november voor het nabijgelegen en machtigere Gallië Cis Alpina, terwijl het commando van Brutus pas eind 44 afgelopen zou zijn. Brutus bood weerstand en werd daarbij gesteund door de senaat. Ondertussen verslechterde de relatie tussen Antonius en Octavianus en liepen vijf legioenen van Antonius over naar Octavianus. Antonius raakte in paniek en besloot Brutus aan te vallen in Gallië Cis Alpina. Brutus bood weerstand en trok met zijn leger naar Mutina.
Cicero beschouwde Antonius vanaf dit moment als vijand en begon zijn retorische vaardigheden tegen hem te gebruiken in de Philippica’s. De senaat was verontwaardigd over de daad van Antonius.

Bron 29: Appianus, Bella civilia III, 4.

ἡ δὲ βουλὴ τήνδε τὴν Κελτικὴν ἀκρόπολιν ἐπὶ σφίσιν ἡγουμένη ἐδυσχέραινέ τε καὶ τῆς ἐνέδρας τότε πρῶτον ᾔσθοντο καὶ τὴν Μακεδονίαν δόντες αὐτῷ μετενόουν.

De senaat, die Gallië Cis Alpina als haar eigen fort beschouwde, was boos en begreep toen de hinderlaag voor het eerst en had er spijt van dat ze hem Macedonië had gegeven.

Hierop opent Pansa, een van de consuls, op 1 januari een debat in de senaat. Octavianus krijgt hier het imperium om Antonius tegen te gaan werken. De consuls recruteren hiervoor meteen manschappen. Antonius is dan nog niet tot hostis verklaard.
Hirtius, de andere consul, en Octavianus grijpen de gelegenheid aan om tegen Antonius op te trekken. Bij Mutina wordt Antonius verslagen en vervolgens –eindelijk- tot hostis verklaard. Bij de Iden van Maart moeten Antonius’mannen de wapens neerleggen en zijn daden worden geannuleerd. Vervelende bijkomstigheid bij deze overwinning op Antonius was echter dat Hirtius en Pansa in de slag waren overleden, waardoor de buffer tussen Octavianus en de moordenaars van Caesar was komen te vervallen.
Octavianus heeft Antonius overwonnen en de senaat beveelt Octavianus zijn troepen over te geven aan Brutus. Octavianus wil Brutus, de moordenaar van zijn ‘vader’, echter niet gehoorzamen. . Octavianus raakte ervan doordrongen dat Cicero en de senaat hem gebruikten. Antonius, hoewel verslagen, had zich, met zijn legaat Bassus, teruggetrokken in Gallië CisAlpina. Octavianus zag kennelijk in dat de breuk tussen hem en Marcus Antonius nog ongedaan kon gemaakt worden en onthield zich na Mutina dus aanvankelijk van elke tegen Antonius gerichte actie. In het geheim zocht hij vervolgens contact met Antonius en Lepidus.
In juli bereikte een afvaardiging van Octavianus’ leger Rome en vroeg de senaat aan Octavianus het ambt van consul toe te kennen; de senaat weigerde op grond van zijn leeftijd. Toen de afvaardiging onverrichter zake was teruggekeerd bij hun krijgsmakkers, eisten die luidkeels dat ze naar Rome wilden oprukken, een verzoek waaraan Octavianus maar al te graag gevolg gaf. Begin augustus stak hij de Rubicon over met acht legioenen, ruiterij en hulptroepen en marcheerde naar Rome. Op 19 augustus werd Octavianus toen toch consul.

Bron 30: Fasti XIIII k. Sept.

Cum. [eo die Caesar pri]mum consulatum in [iit. Supplicatio...]

Op die dag ging Caesar zijn eerste consulaat in.

Octavianus trok nu aan het hoofd van zijn troepen op naar het noorden. Hij had nog maar pas Rome verlaten toen de senaat hem liet meedelen dat zijn collega Quintus Pedius de buiten de wet-stelling van Antonius en Lepidus ongedaan wilde maken. Octavianus liet weten het eens te zijn met zijn collega en de maatregel werd, tot verbijstering van de republikeinen, inderdaad ongedaan gemaakt.
Antonius en Lepidus hadden intussen Lucius Varus Cotta de verantwoordelijkheid over Gallia gegeven en rukten Italië binnen aan het hoofd van een reusachtig leger. Ze ontmoetten Octavianus nabij Bononia. De drie mannen werden het eens over de verdeling van de westelijke provincies, over de voortzetting van de oorlog tegen Marcus Brutus en Cassius, over de uitschakeling van hun gevaarlijkste opponenten en over een beloning voor hun soldaten door het organiseren van proscriptie en confiscatie op grote schaal. Deze afspraak, bereikt halverwege november na twee dagen onderhandelen, werd aan de legers meegedeeld door consul Octavianus.
Eind november arriveerden Marcus Antonius, Lepidus en Octavianus in Rome waar ze op 27 november door de lex Titia de opdracht kregen om voor de duur van vijf jaar de staatszaken te regelen (ze werden IIIviri rei publicae constituendae). Octavianus legde onmiddellijk zijn ambt van consul neer en voor de laatste maand werden nog twee nieuwe consuls aangesteld: Publius Ventidius Bassus en Caius Carrenas.
Octavianus stond nu op de hoogste plaats in het Romeinse rijk, een plaats die hij echter voor het moment nog moest delen met Antonius (Lepidus speelde in het driemanschap slechts een kleine rol).In een reeks zee- en veldslagen rekenden Antonius, Lepidus en Octavianus af met de optimaten. In 36 zette Octavianus eerst Lepidus buiten spel en vervolgens bond hij de strijd aan met Antonius. Door in een handige propagandacampagne zichzelf tegen het oosters despotisme van Antonius en Cleopatra af te zetten, wist Octavianus de Caesarianen en bijna alle anderen in Italië en de westelijke provincies aan zijn kant te krijgen. In 31 versloeg hij Antonius en Cleopatra in de zeeslag bij Actium. Zijn overwinning had hij te danken aan zijn trouwe vrienden Maecenas en Agrippa, aan de soldaten van Caesar en aan Caesars helpers en handlangers. In 27 werd hij benoemd tot princeps.
Als Octavianus niet op de drie terreinen van volk, leger en senaat tegelijk zo goed geopereerd had, had hij zich mijns inziens nooit – of in ieder geval niet in een zo korte periode – kunnen opwerken tot keizer.

7. GERAADPLEEGDE WERKEN

Bronnen

Cary, E. en Foster, H.B. Dio Cassius Roman History IV books 41-45. Harvard: Harvard University Press 1916.
Cary, E. en Foster, H.B. Dio Cassius Roman History V books 46-50. Harvard: Harvard University Press 1917.
Cary, E. en Foster, H.B. Dio Cassius Roman History IV books 51-55. Harvard: Harvard University Press 1917.

Ker, W.C. Cicero Philippics. Harvard: Harvard University Press 1926.

Malitz, J. Nikolaos von Damaskus. Leben des Kaisers Augustus. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft 2003.

Rolfe, J.C. Suetonius The lives of the Caesars I, Julius. Augustus. Tiberius. Gaius. Caligula. Harvard: Harvard University Press 1914.

Schlesinger, A.C. Livy XIV Summaries, fragments and Obsequens. Cambridge: Harvard University Press 1959.

Shackleton Bailey, D.R. Cicero Letters to Atticus 1-89.Harvard: Harvard University Press 1999.
Shackleton Bailey, D.R. Cicero Letters to Atticus 90-165A. Harvard: Harvard University Press 1999.
Shackleton Bailey, D.R. Cicero Letters to Atticus 166-281. Harvard: Harvard University Press 1999.
Shackleton Bailey, D.R. Cicero Letters to Atticus 282-426. Harvard: Harvard University Press 1999.
Shackleton Bailey, D.R. Cicero Letters to Friends 1-113. Harvard: Harvard University Press 2001.
Shackleton Bailey, D.R. Cicero Letters to Friends 114-280. Harvard: Harvard University Press 2001.
Shackleton Bailey, D.R. Cicero Letters to Friends 281-435. Harvard: Harvard University Press 2001.

Shipley, F.W. Compendium of Roman History. Res gestae divi Augusti. Harvard: Harvard University Press 1924.

White, H. Appianus Roman History III, The civil wars, books 1-3.26. Harvard: Harvard University Press 1912.
White, H. Appianus Roman History IV, The civil wars, books 3.27-5. Harvard: Harvard University Press 1912.

Literatuur

Aföldi, A. Oktavians Aufstieg zur Macht. Bonn: Rudolf Habelt Verlag GmbH 1976.

Bartelink, G.J.M. Klassieke Letterkunde. Het spectrum 1993.

Blois, L. de, The Roman Army and Politics in the First century B.C. Amsterdam 1987.

Bowman, A.K., Champlin, E. Lintott, A. The Cambridge Ancient History Volume X The Augustan Empire. Cambridge: Cambridge University Press 1996.

Crook, J.A, Lintott, A, Rawson, E. The Cambridge ancient history volume IX The last age of the Roman republic. Cambridge: Cambridge University Press 1994.

Ehrenberg, V. En Jones, A.H.M. Documents illustrating the reigns of Augustus and Tiberius. Oxford: Clarendon Press 1955.

Habicht, W. en Lange, W. Der Literatur Brockhaus, Zweiter Band. Mannheim: F.A. Brockhaus 1988.

Millar, F. The emperor in the Roman world. London: Duckworth 1977.

Reynolds, J. Aphrodisias and Rome. London: The society for the promotion of Roman studies 1982.

Syme, R. The Roman Revolution. Oxford: Clarendon Press 1939.

Wissowa, G. Paulys Realencyclopädie Der Classischen Altertumswissenschaft, Zweiter Halbband. Stuttgart: Alfred Druckenmüller Verlag 1894.

http://satura-lanx.telenet.be/Cicero/Cicero_uitgebreide%20biografie/Cicero_volledige%20biografie_43.htm

http://satura-lanx.telenet.be/Cicero/Cicero_andere%20documenten/Philippica1_inleiding.htm

http://www.koxkollum.nl/cicero/bio16.htm

http://www.roman-emperors.org/auggie.htm

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>