1. INLEIDING
1.1 Waarom oude geschiedenis, waarom Crassus?
Als sinds het begin van mijn studie Griekse en Latijnse Taal en Cultuur – of misschien nog wel langer – is mijn belangstelling meer uitgegaan naar Latijn, dan naar één van de andere specialisaties (Grieks, archeologie en oude geschiedenis) – hoe mooi ook – die onze opleiding rijk is. Op Latijn zou ik afstuderen en ik kan mij herinneren dat ik in het eerste jaar niet te beroerd was om de toenmalige docent oude geschiedenis, Dr. A. van Hooff, er in niet misteverstane bewoordingen op te wijzen dat ik geschiedenis geen boeiend vak vond.
Tijdens het eerste vertaalcollege Latijn in het eerste jaar werd de eerste Catilinarische redevoering van Cicero door Prof. Dr. M. van der Poel behandeld. Al bij de eerste zin Quo usque tandem abutere, Catilina, patientia nostra? was ik verkocht. Cicero was mijn held, mijn liefde en mijn afstudeeronderwerp.
Naast Latijn ben ik echter ook gecharmeerd van het recht. Cicero en rechten leken niet moeilijk te combineren en vol goede moed begon ik aan een reeks privé-colleges over Romeins Recht bij Prof.Dr. C. Jansen. Tegelijkertijd liep echter ook het mastercollege oude geschiedenis van Prof. Dr. L. de Blois, degene die mij duidelijk maakte dat mijn combinatie van interesses interessant zou kunnen zijn. Omstreeks dat moment kwam Crassus op tafel. Op hem zou ik al mijn interesses los kunnen laten: Latijn, geschiedenis, politiek, recht en intrige. Cicero verdween van het toneel om pas later weer gebruikt te worden als bron en Crassus deed zijn intrede.
1.2 Crassus, verrassend actueel
Zeer in het kort zou men Crassus kunnen typeren als een rijke Romein en dat is dan ook zoals het brede publiek hem kent. Reeds in de oudheid worden er vaak zinspelingen gemaakt op de rijkdom van Crassus, zo zegt Cicero bijvoorbeeld:
Quod si adsequor, supero Crassum divitiis atque omnium vicos et prata contemno.
Als ik dat voor elkaar krijg, ben ik rijker dan Crassus en kan ik het me veroorloven om ieders huizen en weilanden te geringschatten.
In Stanley Kubricks film Spartacus uit 1960 maakten wij in eerste instantie kennis met Crassus die, vertolkt door Laurence Olivier, ten tonele verscheen in de gladiatorenschool van Batiatus in Capua, waar hij zich samen met een heer en twee dames, tegen een forse betaling wilde laten vergasten op een gladiatorengevecht. In tweede instantie werd Crassus de generaal die de strijd tegen inmiddels in opstand gekomen Spartacus mocht leiden. Ook komen wij Crassus tegen als één van de triumviri, maar wel wordt hij in deze hoedanigheid vaak neergezet als de mindere van Pompeius en Caesar. Juist op deze Crassus, de politicus, netwerker en ondernemer, wil ik mij in deze scriptie richten.
“Ondernemen en politiek staan tegenwoordig beiden in het centrum van de aandacht en zijn op tal van punten nauw verweven, al was het alleen in de roddelrubrieken in de Telegraaf en elders. Dat ondernemen een kwalificatie zou zijn voor deelname aan de politiek is echter een moderne gedachte. Toen ik in de jaren zestig studeerde stond ondernemen nog voor dubieuze motieven en eng eigen belang; wie kon ging uit idealisme in de publieke dienst voor het algemeen belang. De associatie van ondernemen met dynamisch, doortastend en produktief, tegenover een overheid die staat voor stroperigheid, besluiteloosheid en inproduktief, is pas van de laatste twintig jaren.
In de Romeinse oudheid was handeldrijven zelfs reden voor verwijdering uit de politieke klasse – de senaat. Politiek aanzien en eeuwige roem verwierf men door het uitvoeren van werken voor de gemeenschap, of door brood en spelen; ook na meer dan 2000 jaren kennen we nog Appius Claudius vanwege de Via Appia. Een van de weinige klassieke voorbeelden van een ondernemer in de politiek was Crassus; een makelaar (die duiken tegenwoordig ook weer regelmatig op in de politiek). Een van zijn originele kernactiviteiten was een particuliere brandweer; hij bluste op voorwaarde dat de eigenaar van het brandend huis dit eerst aan hem verkocht. U ziet, een voorbeeld van hoe je publieke voorzieningen met particulier initiatief kuntvermengen. Toen hij de politiek inging als triumvir naast Caesar en Pompeius is het niet goed met hem gegaan; hij kwam om in de oorlog tegen de Parthen, want van oorlogvoeren had hij niets begrepen.”
Dat het onderwerp zeer actueel is, blijkt wel uit bovenstaande toespraak van Piet Hein Donner, die van 22 juli 2002 tot 21 september 2006 minister van Justitie was in de kabinetten-Balkenende I, II en III.
1.3 Onderzoek naar de basis van de macht van Crassus
Zelf zou Crassus, zo stelt Cadoux (1956) voornamelijk willen worden beoordeeld om zijn kwaliteiten als politicus. Hij wilde de meest machtige man in Rome zijn en dit was het motief van bijna elke Romein. Crassus stamde af van de meer onderscheiden edele plebeïsche families en het was niet meer dan logisch dat hij wilde bijdragen aan de staat van dienst van zijn familie. De hoofdvraag waarom deze scriptie draait is dan ook op welke manier Crassus direct of indirect macht wist te vergaren.
In Rome werd een man bewonderd door uitmunten in generaalschap of retoriek. Crassus had geen van beide. Als generaal staat hij enkel bekend om zijn nederlaag tegen de Parthen, hoewel hij als jongeman onder Sulla en in zijn oorlog tegen Spartacus succesvoller is geweest in het leger. Retorische vaardigheden had Crassus, zoals zal blijken uit hoofdstuk twee, zeker verworven, maar het gaat wat ver hem te beschouwen als orator van het kaliber van bijvoorbeeld Cicero. Crassus had iets anders: geld. Het lijkt logisch te veronderstellen dat er een relatie geweest is tussen het geld van Crassus en zijn macht. Hoe die relatie geweest is, zal in de komende hoofdstukken aan het licht komen.
De titel Crassus: Vir Ambitiosus heeft zowel betrekking op het feit dát Crassus macht wilde vergaren als op hóé hij die macht vergaarde. Het woord ambitiosus kent immers meerdere vertaalmogelijkheden, variërend van eerzuchtig en ambitieus tot eropuit zich geliefd te maken of zelfs uit op omkoping.
1.4 Methoden en bronnen
Bij aanvang van mijn scriptie ben ik verrast door de geringe hoeveelheid materiaal die er is over Crassus. Om de lezer niet geheel in het diepe te gooien geef ik in hoofdstuk 2 een algemene beschrijving van het leven van Crassus. Hierbij volg ik in grote lijnen het levensverhaal van Crassus, zoals dat door Plutarchus is beschreven. Plutarchus leefde van 46 tot ongeveer 120 n.Chr en was daarmee geen tijdgenoot van Crassus. Hoewel van Boeotische oorsprong, bezocht Plutarchus Rome meerdere malen en kwam daar in contact met de hoogste kringen. Plutarchus schreef een omvangrijk oevre, waaronder de Moralia (filosofische essays) en de Bioi Paralleloi, een serie biografieën van beroemde Grieken en Romeinen. Hoewel Plutarchus zich als historiograaf niet bijzonder kritisch toont, geeft hij veel informatie en is daardoor een waardevolle bron. Het verhaal van Plutarchus vul ik aan met enkele opmerkingen van Appianus, een Griekse historiograaf die leefde tijdens de Romeinse keizertijd, en Cicero, die wij kennen van zijn talloze redevoeringen, traktaten en brieven. Verder maak ik gebruik van de weinige biografieën van Crassus die in de loop der tijd verschenen zijn. De meest recente daarvan is de biografie van Ward (1977): Marcus Crassus and the late Roman Republic en daarna volgt Crassus: a political biography van Marshall (1976). Ook Marcus Crassus, millionare van Adcock (1966) heb ik om de vele informatie en soms originele benadering veel gebruikt.
Na dit eerste algemene hoofdstuk, zal ik mij richten op de rijkdom van Crassus en op welke wijze hij deze vergaard heeft. Om immers later vast te kunnen stellen dat er een relatie is tussen de politieke macht van Crassus en zijn geld, dient eerst vastgesteld te worden dat Crassus werkelijk rijk was. Eerst zal ik op basis van Duncan-Jones (1994), Cancik (1997), Naerebout en Singor (2004) en Hollander (2007) een indruk geven van de geldstromen ten tijde van de Romeinse Republiek. Daarna kom ik dan bij de rijkdom van Crassus. Veel informatie hierover bieden Cadoux (1956) en Adcock (1966) en ook Shatzman (1975), Ward (1977) en Crook (1994) waren van nut. Beschreven wordt hoeveel geld Crassus gehad heeft en op welke manieren hij aan zijn geld is gekomen. Eén van die manieren, te weten het op welke wijze dan ook participeren in de zaken van de publicani, behoeft nadere uitleg. Daar publicani afkomstig waren uit de ridderstand, is het nodig ook van de ridderstand een beschrijving te geven. Hiervoor beroep ik mij op het standaardwerk over dit onderwerp, L’ordre équestre à l’époque républicaine van Nicolet (1966) en daarnaast op Meyer (1964) en Mommsen (1979) en gebruik ik bovendien Ab Urbe Condita van Livius, de Romeinse geschiedschrijver uit de tijd van Augustus, als bron, aangevuld met wat opmerkingen van Plutarchus; de Romeinse vir militaris, letterkundige en wetenschapper Plinius Maior; en het Commentariolum Petitionis, dat mogelijk door Quintus Cicero, de broer van de redenaar Marcus Tullius Cicero geschreven is. Vervolgens wordt de lezer teruggevoerd naar de publicani. Wie waren zij? Wat deden zij en op welke manier kan Crassus met hen verbonden zijn geweest? Hiervoor maak ik met name gebruik van het werk van Badian (1972), Gelzer (1975) en Crook (1994). Als bron dienen het werk van de Griekse historiograaf Polybius en opnieuw Livius, Plinius Maior, Plutarchus en Quintus Cicero. Juridische informatie over het functioneren van en societas publicanorum ontleen ik vooral aan Kaser en Wubbe (1971) en Kunkel (1965). Om het voorgaande te concretiseren, volgt vervolgens enige informatie over een typisch voorbeeld van een rijke eques: Titus Pomponius Atticus. Rest nog de beantwoording van de vraag of Crassus inderdaad de rijkste was. Cadoux (1956) en Crook (1994) betonen zich hier bijzonder nuttig.
In het vierde hoofdstuk gaat het om het netwerk van Crassus. Hierbij gaat het nog niet om met welke motieven dat netwerk tot stand is gekomen, maar enkel om welke vrienden en vijanden Crassus op welk tijdstip had. Hiervoor geef ik eerst een algemene inleiding over de politiek ten tijde van Crassus, over de wijze waarop na de koningstijd de voornaamste macht lag bij enkele patricische families en over de wijze waarom collectief gedrag tot stand kwam. Hierbij baseer ik mij vooral op Syme (1939), Gelzer (1943) en Alföldy (1991). Ook wordt er ingegaan op wie de helpers waren waarover een rijke man mogelijk beschikking kan hebben gehad. Hiervoor beroep ik mij weer op Syme (1939); en ook op Alföldi (1976), Brunt (1988), Vanderbroeck (1987) en Aubert (1996). Bronnen zijn Plinius Maior, de Romeinse biograaf Suetonius, Cicero, historiograaf Tacitus, Plutarchus en het Corpus Inscriptionum Latinarum. De term institores komt van Aubert, maar omdat deze term mogelijk niet de lading dekt van alle helpers die er waren, gebruik ik in het vervolg de term helpers. Om een voorbeeld te geven van welke macht dergelijke helpers gehad kunnen hebben, geef ik enige informatie over de helpers van Iulius Caesar: Balbus en Oppius. Hiervoor baseer ik mij voornamelijk op het werk van Alföldi (1976) en op de epistulae van Cicero. In Appendix A van zijn Popular Leadership and Collective Behaviour geeft Vanderbroek een overzicht van de diverse volkstribunen en aan de kant van welke hoofdleiders zij stonden. Hierbij valt meteen op dat Crassus veel minder tribunen aan zijn kant heeft dan bijvoorbeeld Pompeius of Caesar. Op dat moment wordt de vraag gesteld hoe het netwerk van Crassus dan wel was opgebouwd. Per jaartal zal dan het netwerk van Crassus besproken worden aan de hand van politieke gebeurtenissen. Per jaar zullen eerste de belangrijke politieke gebeurtenissen beschreven worden en vervolgens zal ik een tabel geven waarin het netwerk van Crassus – voor zover bekend – voor dat jaar getoond wordt. In deze tabel zal ik de veranderingen in het netwerk van Crassus vet drukken, om daar vervolgens nog kort op in te gaan. Startpunt voor het onderzoek naar het netwerk van Crassus zal het jaar 89 zijn, daar de carrière van Crassus op dat moment begonnen moet zijn. Eindpunt zal het jaar 53, het jaar van de dood van Crassus, zijn. Het netwerk van Crassus is groot en vele vrienden en vijanden zullen dan ook de revue passeren, waarbij ik mij baseer op een even zo grote verscheidenheid aan literatuur en bronnen. Ik noem het oude en soms speculatieve, maar nog steeds bruikbare werk van Salmon (1935), ik noem weer Syme (1939) en ik noem Gelzer (1943), Cadoux (1956), Gelzer (1960), Münzer (1963), Meyer (1964), Adcock (1966), Lintott (1967), Meijer (1973), Parrish (1973), Shatzman (1975), Marshall (1976), Ward (1977), Meijer (1984), Benner (1987), Vanderbroeck (1987), Thommen (1989), Crook (1994) en De Blois (1998). Bronnen zijn de reeds eerder genoemde Polybius, Appianus, Cicero, Plutarchus, Suetonius en nu ook de geschiedschrijvers Velleius Paterculus, Sallustius en Cassius Dio.
In het vijfde hoofdstuk zullen dan eindelijk het geld en het netwerk van Crassus bij elkaar gebracht worden door de vraag in hoeverre de basis van het netwerk van Crassus zijn geld geweest kan zijn. Voor elk van de vrienden van Crassus zal nagegaan worden wat de motieven voor de vriendschap waren om vervolgens een algemene uitspraak te kunnen doen over de wijze waarop Crassus zijn netwerk tot stand bracht en onderhield. In tabellen zijn voor elk van de ons bekende contacten van Crassus hun carrières en verblijfplaatsen uiteengezet op basis van Broughton (1951) en Crook (1994). De vetgedruke plaatsen geven aan welke functie eenieder had op het moment dat hij in het netwerk van Crassus opgenomen werd. Opvallend is dat zij die nog geen carrière hadden op het moment dat ze met Crassus bevriend raakten, later wel een carrière kregen. Eerst wordt vervolgens een uiteenzetting gegeven over de cursus honorum, waarvoor ik gebruik maak van Syme (1939), Bleicken (1955), Suolathi (1956), Lintott (1990), Cancik (1997), Zwalve (2004) en Beck (2005). Voor een carrière was geld nodig, dus de kans dat het geld van Crassus meespeelde in de vriendschap was groot. Over dit mogelijke ‘beleggen in de carrières van anderen’ wordt informatie gegeven door Bleicken (1955), Cadoux (1956), Ross Taylor (1957), Adcock (1966), Wiseman (1966), Thommen (1989) en Lintott (1990). Om de indruk te vermijden dat Crassus de enige Romein was die op deze te werk ging, wordt vervolgens op dezelfde wijze een tabel opgesteld voor de contacten van Pompeius.
Op basis van de genoemde hoofdstukken moet het vervolgens mogelijk zijn een impressie te geven van wie Crassus was, op welke manier hij politiek bedreef en of hij hierin afweek van zijn tijdgenoten.
1.5 Een woord van dank
Naast het gebruik van bovengenoemde bronnen, had deze scriptie moeilijk tot stand kunnen komen zonder de steun van de volgende personen: mijn begeleider Prof. Dr. L. de Blois, die niet alleen degene is die mij heeft laten zien dat mijn combinatie van interesses de moeite waard is en mij heeft geholpen bij de keuze van het onderwerp, maar die ook – ondanks zijn op handen zijnde emeritaat – steeds weer de moeite heeft genomen mijn hoofdstukken te lezen en van gedetailleerd commentaar en tips te voorzien; mijn moeder, mevrouw F.P.H.M. Mensink-Jenniskens, die niet alleen alle hoofdstukken heeft gelezen en ze van zowel talig als komisch commentaar heeft voorzien (vooral haar vele scherpe vergelijkingen van Crassus en zijn wereld met de hedendaagse politiek –zo werd de naamsverandering van Claudius naar Clodius door mijn moeder over een kam geschoren met Jan Marijnissen die nog steeds prat gaat op het feit dat hij ooit in een worstenfabriek heeft gewerkt, terwijl hij een keurige HBS-opleiding genoten heeft- hebben mij meerdere malen lachstuipen bezorgd), maar die mij ook nog eens bijna elke dag een mailtje heeft gestuurd om mij succes te wensen met mijn scriptie; en ten slotte mijn vriend Wim Pelgrim, die weinig moeite heeft gedaan om mijn scriptie door te lezen, maar die er gewoon voor me was, me veel glaasjes drinken heeft gebracht en het me heeft vergeven als ik mijn huishoudelijke taak zo nu en dan niet op tijd of zelfs niet deed. Hen wil ik alle drie heel hartelijk bedanken.
(…)
(De gehele scriptie is voor de waarlijk geïnteresseerde bezoeker te verkrijgen via het contactformulier.)
6. CONCLUSIE
Het vermogen van Crassus heeft bestaan uit zijn erfenis en winst die hij had vergaard uit de proscripties van Sulla. Door handig te managen wist hij zijn vermogen aanzienlijk te vergoten en daarnaast was hij waarschijnlijk onofficieel socius in een societas van publicani. Door te investeren in de contracten, maar niet officieel deel te nemen in de societas moet hij vervolgens zijn deel van de winst hebben verkregen. Ook kan het zo geweest zijn dat Crassus socius was via een tussenpersoon. Tenslotte is het mogelijk dat Crassus niet alleen ongeregistreerd socius maar zelfs patroon van de publicani of van enkele societates is geweest. Hoewel Crassus in verschillende bronnen de rijkste der Romeinen wordt genoemd, is het waarschijnlijk dat hij niet veel rijker was dan Pompeius. Op dit punt verschilde Crassus dus niet veel van zijn meest prominente tijdgenoten.
In zijn politieke carrière was Pompeius Crassus’ grootste rivaal. Beiden dienden zij onder Sulla, maar waar Crassus na 71 waarschijnlijk geen commando’s meer voerde, was het succes van Pompeius in het oosten ononderbroken. Crassus’ politiek was echter niet gebaseerd op eigen commando, maar op een politiek imperium gevoerd door een ander. Voor dit doel gebruikte hij bijvoorbeeld Caesar. Crassus dreef echter niet alleen op andermans imperium, maar ook op andermans netwerk. Het oorspronkelijke netwerk van Crassus zelf was niet van indrukwekkende omvang, maar door zijn contact met bijvoorbeeld Caesar of de Metelli, kreeg hij er weer veel nieuwe contacten bij. Crassus had zowel revolutionaire als behoudende politici in zijn netwerk opgenomen en zowel patriciërs als plebejers. Op dit aanzienlijke netwerk was de politieke invloed van Crassus gebaseerd.
Het netwerk van Crassus is grofweg op te delen in vrienden die een carrière hadden toen ze hem leerden kennen en vrienden die op dat moment nog geen carrière hadden. Van een groot deel van de vrienden van Crassus zonder carrière geven de bronnen aan dat ze zich eens of zelfs meerdere malen hebben overgegeven aan omkoping of daarvoor zelfs zijn aangeklaagd. De meeste van deze vrienden waren volkstribuun op het moment dat ze met Crassus bevriend raakten. Zoals gezegd, was de kans dat een volkstribuun na dit ambt verder klom op de ladder van de cursus honorum minder dan de helft. De met Crassus bevriende lieden kregen bijna allemaal een carrière. Men mag dus aannemen dat zij inderdaad met Crassus bevriend waren om zijn geld en zijn daaruit voortgekomen invloed. Crassus op zijn beurt kon de volkstribunen gebruiken om op de achtergrond de plebs te beïnvloeden. Verder vermoed ik dat er in de relaties met mannen die al wél een carrière hadden op het moment dat ze hem leerden kennen sprake is van ‘netwerken’, zoals men dat heden ten dage nog steeds pleegt te doen. Al deze lieden hadden geld en politieke invloed. Zoals Crassus van hen gebruik kon maken, zo konden zij dat op hun beurt ook van het netwerk van Crassus.
Vermoedelijk heeft tussen Pompeius en zijn contacten met een carrière ook een relatie op basis van wederzijdse diensten bestaan. Opvallend is dat van zijn contacten met een kleine of nihile carrière er ook veel volkstribuun zijn geweest en vervolgens een voorspoedige carrière hebben gehad. Ook hierbij heeft in een aantal gevallen omkoping plaatsgevonden. Het is daarom mogelijk te stellen dat ook de politieke strategie van Crassus niet verschilde van die van zijn tijdgenoten. Het gevolg van de strategie van zowel Crassus en Pompeius is dat er bij tijd en wijlen een kloof kon bestaan tussen hun officiële functie en hun politieke invloed. Zo was Crassus formeel enkel een oud-consul en een senator. Tot het jaar 60 had hij geen bijzondere positie, ook niet tijdens het triumviraat, dat immers een particuliere afspraak was. Zijn macht moet echter aanzienlijk geweest zijn.
Na 60 kon Crassus nog steeds profiteren van zijn geld en zijn invloedrijke vrienden. Nooit koos hij duidelijk partij voor ofwel de conservatieve ofwel de hervormende kant van de senaat, waardoor we hem zouden kunnen omschrijven als een middle of the road politician. Het ging Crassus duidelijk niet om standpunten of een ideologie, hij was uit op politieke macht, gebaseerd op zoveel mogelijk vrienden. Ook hierin vormt Crassus geen uitzondering. Zowel Pompeius als Clodius staat erom bekend ook geen eigen ideologie te hebben gehad. Toen Caesar, Pompeius en Crassus gingen samenwerken, vielen ook hun netwerken samen, waardoor zij in staat waren het gehele rijk te domineren. Binnen het driemanschap is Crassus van tijd tot tijd de machtigste geweest, maar toen hij zich militair wilde bewijzen tegen de te sterke Parthen, heeft hij gefaald en is jammerlijk aan zijn eind gekomen.
Met dit onderzoek hoop ik te hebben aangetoond dat Crassus rijk was, maar niet rijker dan andere prominente tijdgenoten; dat hij zijn geld gebruikte om een netwerk en macht op te bouwen, maar dat ook zijn tijdgenoten deze strategie toepasten; en tenslotte dat hij – hoewel politicus – geen ideologie had, hetwelk echter ook voorkwam bij zijn tijdgenoten. Waarom Crassus toch als enige bekend staat als de politicus die met geld persoonlijke macht wilde vergaren, is een vraagstuk. Ik vermoed dat waar bijvoorbeeld bij Pompeius naast zijn ambitie de aandacht gevestigd kan worden op zijn uitstekende militaire kwaliteiten, waar bij Caesar naast zijn ambitie de aandacht gevestigd kan worden op het feit dat hij de eerste alleenheerser werd en waar bij Clodius de aandacht gevestigd kan worden op het Bona Dea schandaal en alle andere relletjes die hij ontketende, Crassus niets heeft om zijn ambitie mee te verdoezelen. Politieke ambitie was alles dat hij had. Hij was een ware politicus en een vir ambitiosus.
7. GERAADPLEEGDE WERKEN
7.1 Bronnen
Alföldy, G., Corpus Inscriptionum Latinarum, Berlin: De Gruyter 1995.
Baldwin Foster, H., Dio’s Roman historty in nine volumes, London: Heinemann 1914.
Eyssenhardt, von, F., Velleius Paterculus’ Römische Geschichte, Stuttgart: Krais&Hoffmann 1965.
Foster, B.O., Livy with an English translation in fourteen volumes, London: Heinemann 1963-1975.
Gardner, R., Cicero The speeches Pro Sestio and In Vatinium, London: Heinemann 1958.
Grose Hodge, H., Cicero the speeches: Pro lege Manilia, pro Caecina, Pro Cluentio, Pro Rabirio perduellionis, London: Heinemann 1966.
Horsfall, N., Cornelius Nepos, A selection includion the lives of Cato and Atticus, Oxford: Clarendon Press 1989.
Jackson, J., Tacitus The annals, London: Heinemann 1925-1937.
Jones, W.H.S., Pliny Natural History, London: Heinemann 1938-1962.
Ker, W.C.A., Cicero Philippics, London: Heinemann 1926.
Laser, G., Quintus Cicero Commentariolum petitionis, Damstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft 2001.
Macdonald, C., In Catilinam I-IV, Pro Murena, Pro Sulla, Pro Flacco, London: Heinemann 1977.
MacGushin, P., Sallust, The histories, Oxford: Clarendon Press 1992-1994.
Müller, F.L., Eutropii Breviarium ab urbe condita, Stuttgart: Steiner 1995.
Perrin, B., Plutarch’s Lives in eleven volumes, Cambridge: Harvard Univesity Press 1967-1975.
Rackham, H., Cicero De oratore in two volumes, Vol II: Book III, together with De Fato, Paradoxa Stoicoum, De partitione oratoria, Cambridge: Harvard University Press 1942.
Rolfe, J.C., Suetonius, London: Heinemann 1951.
Shackleton Bailey, D.R., Cicero Letters to friends, London: Heinemann 2001.
Shackleton Bailey, D.R., Cocero Letters to Quintus and Brutus, Letter fragments, Letter to Octavian, Invectives, Handbook of electioneering, London: Heinemann 2002.
Shipley, F.W., Compendium of Roman History & Res gestae divi Augusti, London: Heinemann 1924.
White, H., Appian’s Roman History, Cambridge: Harvard University Press 1912.
Winstedt, E.O., Cicero Letters to Atticus, London: Heinemann 1967.
7.2 Secundaire literatuur
Alföldi, A., Oktavians Aufstieg zur Macht, Bonn: Habelt 1976.
Alföldy, G., The social history of Rome, Baltimore: The John Hopkins University Press 1991.
Adcock, F.E., Marcus Crassus Millionaire, Cambridge: W. Heffer & Sons LTD 1966.
Aubert, J., Business managers in ancient Rome, A social and economic study of institores, 200 B.C. – A.D. 250, Leiden: E.J.Brill 1994.
Badian, E., Publicans and sinners, Private enterprise in the service of the Roman Republic, Oxford: Basil Blackwell 1972.
Beck, H., Karriere Und Hierachie, Berlin: Akademie Verlag 2005.
Benner, H., Die Politik des P. Clodius Pulcher, Stuttgart: Franz Steiner Verlag Wiesbaden GMBH 1987.
Bleicken, J., Das Volkstribunat der klassischen Republik, München: verlag C. H. Beck 1955.
Blois, de, L., ‘Catilina: revolutionair of avonturier.’ In: Lampas 1998, 56-70.
Bogaert, R., Grundzüge des Bankwesens im alten Griechenland, Konstanz: Universitätsverlag Konstanz GMBH 1986.
Böhme H.W., Römische Beamtenkarrieren, Stuttgart: A. W. Gentner Verlag 1977.
Broughton, T.R.S., The magistrates of the Roman republic, New York: The American Philological Association 1952.
Brunt, P.A., ‘The Equites in the Late Republic’ In: The fall of the Roman Republic, Oxford: Clarendon Press 1988.
Cadoux, T.J., ‘Marcus Crassus: A Revaluation’ In: Greece & Rome, 2nd Ser., Vol. 3, No. 2, Jubilee Number. (Oct., 1956), pp. 153-161.
Cancik, H. en Schneider, H., Der neue Pauly: Enzyklopädie der Antike, Stuttgart: Metzler 1996-2003.
Crook, J.A., Lintott, A., Rawson, E., The Cambridge ancient history, vol. 9 The last age of the Roman Republic, Cambridge: Cambridge University Press 1994.
Duncan-Jones, R., Money and government in the Roman empire, Cambridge: Cambridge Universiy Press 1994.
Gelzer, M., Vom römischen Staat, Leipzig: Koehler&Amelang 1943.
Gelzer, M., Caesar, der Politiker und Staatsmann, Wiesbaden: Franz Steiner verlag GMBH 1960.
Gelzer, M., The Roman Nobility, Oxford: Basil Blackwell 1975.
Hillman, T.P., ‘Plutarch and the First Consulship of Pompeius and Crassus’ In: Phoenix, Vol. 46, No. 2. (Summer, 1992), pp. 124-137.
Hollander, D.B., Money in the Late Roman Republic, Leiden: Brill 2007.
Hornblower, S. & Spawforth, A., The Oxford Classical Dictionary, Oxford: Oxford University press 1966.
Kaser, M & Wubbe F.B.J., Romeins provaatrecht, Zwolle: Tjeenk Willink 1971.
Kunkel, W.E.K.F., Geschiedenis van het Romeinse recht, Utrecht: Het Spectrum 1975.
Ligt, de, L., ‘The Gracchan Land Reforms’ in: Mnemosyne 2004, 725-757.
Lintott, A.W., ‘P. Clodius Pulcher–’Felix Catilina?’’In: Greece & Rome, 2nd Ser., Vol. 14, No. 2. (Oct., 1967), pp. 157-169.
Lintott, A.W., ‘Electorial Bribery in the Roman Republic’In: The Journal of Roman Studies, Vol. 80. (1990), pp. 1-16.
Marsh, F.B., ‘The Policy of Clodius from 58 to 56 B.C.’ In: The Classical Quarterly, Vol. 21, No. 1. (Jan., 1927), pp. 30-36.
Marshall, B.A., Crassus: a political biography, Amsterdam: Adolf M. Hakkert 1976.
Meijer, F.J.A.M., Catilina, Purmerend: Nooy’s drukkerij-uitgeverij 1973.
Meijer, F.J.A.M., De Verliezers, Leiden: Martinus Nijhoff 1984.
Meyer, E., Römischer Staat und Staatsgedanke, Zürich: Artemis Verlag 1964.
Mommsen,Th. Römisches Staatsrecht, München: Beck 1979.
Münzer, F., Römische Adelsparteien und Adelsfamilien, Stuttgart: Metzler 1963.
Naerebout, F.G. en Singor, H.W., De oudheid, Grieken en Romeinen in de context van de wereldgeschiedenis, Amsterdam: Ambo 2004.
Nicolet, C., L’ordre équestre à l’époque républicaine, Paris: De Boccard 1966.
Parrish, E.J., ‘Crassus’ New Friends and Pompey’s Return’ In: Phoenix, Vol. 27, No. 4. (Winter, 1973), pp. 357-380.
Ross Taylor, L., ‘The Rise of Iulius Caesar’ In: Greece & Rome, 2nd Ser., Vol. 4, No. 1 (Mar., 1957), pp. 10-18.
Salmon, E.T., ‘Catiline, Crassus, and Caesar’ In: The American Journal of Philology, Vol. 56, No. 4. (1935), pp. 302-316.
Shatzman, I., ‘Senatorial Wealth and Roman Politics’ In: Latomus 1975.
Simpson, A.D., ‘The Departure of Crassus for Parthia’ In: Transactions and Proceedings of the American Philological Association, Vol. 69. (1938), pp.532-541.
Stein, A., Der römische Ritterstand, München: C.H. Beck’sche Verlagsbuchhandlung 1927.
Suolathi, J., The junior officers of the Roman army, Helsinki: Suomalainen Tiedeakatemia 1956.
Syme, R., The Roman Revolution, Oxford: Clarendon Press 1939.
Thommen, L., Das Volkstribunat der späten römischen Republik, Stuttgart: Franz Steiner Verlag Wiesbaden GMBH 1989.
Vanderbroeck, P.J.J., Popular leadership and collective behavior in the late Roman Republic, Amsterdam: Gieben 1987.
Ward, A.M., ‘Crassus’ Slippery Eel’ In: The Classical Review, New Ser., Vol. 24, No. 2. (Nov., 1974), pp. 185-186.
Ward, A.M., Marcus Crassus and the Late Roman Republic, Columbia: University of Missouri Press 1977.
Wiseman, T.P., ‘The ambitions of Quintus Cicero’ In: The Journal of Roman Studies, Vol. 56, Parts 1 and 2 (1966), pp. 108-115
Zwalve, W.J., Beknopte geschiedenis van het Romeinse recht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2004.